Chronische lymfatische leukemie
Chronische lymfatische leukemie (CLL) is de meest voorkomende vorm van leukemie in Nederland. De ziekte ontstaat uit B-lymfocyten (een type witte bloedcellen) die zich ophopen in voornamelijk het perifeer bloed en het beenmerg. In dit overzicht vindt u de belangrijkste cijfers over CLL over incidentie, diagnostiek en overleving op basis van data uit de NKR.
Informatie voor patiënten
Bent u patiënt of naaste? Vindt begrijpelijke en betrouwbare informatie over chronische lymfatische leukemie op kanker.nl en de website van patiëntenvereniging Hematon.
Incidentie
Tussen 2014 en 2023 kregen jaarlijks gemiddeld ruim 1100 mensen in Nederland de diagnose CLL. De ziekte komt vooral voor bij ouderen: de mediane leeftijd bij diagnose is 70 jaar. De leeftijdsverdeling is als volgt:
- 18% is tussen de 18 en 59 jaar
- 30% tussen de 60 en 69 jaar
- 34% tussen de 70 en 79 jaar
- 18% is 80 jaar of ouder
Het Rai-stadiëringssysteem verdeelt patiënten in drie risicogroepen op basis van lymfeklier- en miltbetrokkenheid, bloedarmoede en trombocytopenie. Een hoger Rai-stadium hangt samen met een slechtere prognose. De stadiëring is de basis voor het wel of niet starten van een behandeling:
- Laag risico (Rai 0): afwachtend beleid (‘watchful waiting’), behandeling pas bij actieve ziekte*.
- Intermediair risico (Rai I–II): behandeling bij bloedarmoede of andere actieve ziekteverschijnselen.
- Hoog risico (Rai III–IV): bijna altijd direct starten met behandeling, ongeacht symptomen.
Bij diagnose heeft 51% van de patiënten een Rai-stadium 0 (laag risico), 34% een Rai-stadium I-II (intermediair risico) en 15% een Rai-stadium III-IV (hoog risico). Dit betekent dat de meeste patiënten de diagnose krijgen in een vroeg stadium, vaak zonder symptomen en naar aanleiding van routine bloedonderzoek.
*Criteria voor actieve ziekte zijn B-symptomen (zoals gewichtsverlies, koorts en nachtzweten), refractaire auto-immuunaandoeningen, snelle vergroting van lymfeklieren en/of milt, beenmergfalen of een sterke stijging van het aantal lymfocyten.
Sinds 2019 leggen we in de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) structureel vast of de IGHV-mutatiestatus en TP53-mutatie zijn bepaald. Beide testen zijn relevant voor de behandelkeuze.
- Van in totaal ruim 5.500 patiënten (2019–2023) werd 14% onderzocht op de IGHV-mutatie of op de TP53-mutatie. Deze groep biedt waardevolle inzichten voor toekomstig onderzoek naar risicoprofielen en behandelresultaten.
- De IGHV-mutatiestatus werd bepaald bij circa 15% van de patiënten en vaker bij hogere Rai-stadia, ongeacht leeftijd.
- De TP53-mutatie en/of 17p-deletie werd onderzocht bij 19% van de patiënten, vaker bij jongere patiënten en/of patiënten met een hoog-risico stadium.
Eerstelijnsbehandeling
Bij de meeste patiënten volgt na diagnose een afwachtend beleid, omdat zij nog geen symptomen hebben. Maar hoe hoger het Rai-stadium bij diagnose, hoe groter het aandeel patiënten dat wel direct een behandeling krijgt. Sinds 2020 zien we een duidelijke toename van het gebruik van ibrutinib en venetoclax – doelgerichte middelen die effectiever zijn en minder bijwerkingen geven dan traditionele chemo-immunotherapie.
Behandelpatronen per leeftijdsgroep en Rai-stadium
De behandelkeuze hangt af van leeftijd, genetische kenmerken en Rai-stadium. Daarbij is er een balans tussen maximale effectiviteit en minimale schade door de behandeling. Daarom krijgen ouderen vaak een minder intensieve behandeling. Hieronder een overzicht van de belangrijkste behandelpatronen:
- Bij laag en intermediair risico vaak eerst afwachtend beleid, ongeacht leeftijd
- Hoog risico met een gemuteerde IGHV (zonder TP53-mutatie/17p-deletie)
- Patiënten ≤65 jaar: vooral behandeling met FCR
- Patiënten tussen 65 en 75 jaar: vaak BR
- Patiënten >75 jaar: vaak rituximab in combinatie met chloorambucil
Behandeling naar genetische factoren
1. Gemuteerde IGHV, zonder TP53-mutatie/17p-deletie
- Bij laag (21%) en intermediair risico (40%)
- vaak eerst afwachtend beleid, ongeacht leeftijd
- indien behandeld:
- Patiënten ≤65 jaar: meestal FCR,
- Patiënten >65 jaar: vooral BR, gevolgd door een combinatie van anti-CD20-antilichaam en chloorambucil
- Bij hoog risico (39%) vaak meteen behandeling
- Patiënten ≤65 jaar: voornamelijk FCR
- Patiënten >65 jaar: vooral R/O-Chl, gevolgd door BR
Deze bevindingen komen overeen met de richtlijnen geldend voor de onderzochte periode.
2. Niet-gemuteerde IGHV, zonder TP53-mutatie/17p-deletie
- Hoe hoger het Rai-stadium, hoe vaker directe behandeling
- Behandeling bij intermediair (42%) en hoog risico (45%):
- Patiënten ≤65 jaar: vooral FCR
- Patiënten >65 jaar: hoofdzakelijk R/O-Chl, gevolgd door BR
- Iets vaker doelgerichte therapie dan bij gemuteerde IGHV zonder TP53-afwijking
Deze bevindingen sluiten grotendeels aan bij de richtlijnen in de onderzochte periode. Vanwege de minder gunstige prognose, heeft behandeling met doelgerichte therapie (zoals BTK-remmers of combinaties met venetoclax) doorgaans de voorkeur. Maar ook chemo-immunotherapie blijft een goede optie met de juiste motivatie. Bij oudere en/of minder fitte patiënten is er een voorkeur voor minder intensieve behandeling.
3. Aanwezigheid TP53-mutatie en/of 17p-deletie
Vrijwel alle patiënten kregen een behandeling met ibrutinib, ongeacht leeftijd. Dit sluit aan bij de richtlijnen geldend voor deze hoog risicogroep in de onderzochte periode.
De relatieve overleving van CLL-patiënten verbeterde sterk tussen 1989 en 2023. Factoren die bijdragen aan deze stijging zijn: de introductie van chemo-immunotherapie (zoals FCR en R-Chl); de introductie van doelgerichte middelen zoals ibrutinib en venetoclax; verbeterde en meer onderscheidende diagnostiek, waaronder moleculaire diagnostiek; verfijning van de classificatie; en vroegere herkenning door routinematig bloedonderzoek.
Sinds 2014 is er geen duidelijke toename in de relatieve overleving. Mogelijke oorzaken zijn de beperktere toegang tot nieuwe middelen; langzame implementatie van nieuwe middelen in de praktijk; en co-morbiditeit of leeftijd van patiënten.
Prognose per Rai-stadium
De overleving hangt sterk samen met het Rai-stadium bij diagnose. De prognose bij patiënten met een laag risico Rai-stadium is gunstig, ook bij oudere patiënten. Patiënten met een hoog risico Rai-stadium hebben aanzienlijk slechtere uitkomsten, vooral 75-plussers. Mogelijk komt dit omdat oudere patiënten vaak een minder intensieve behandeling krijgen. Dit om de schade door de behandeling te beperken.
Hoewel doelgerichte therapieën voor andere patiënten al verschil hebben gemaakt, zijn er een aantal belemmerende factoren voor de inzet bij oudere patiënten, zoals flinke bijwerkingen, bijkomende aandoeningen en de beperkte beschikbaarheid. Meer onderzoek naar specifiek oudere patiënten is nodig om de behandeling voor deze groep verder te verbeteren.
Meer weten?
Deze informatie is onderdeel van de publicatie Trends binnen de hemato-oncologie in Nederland (2026).