Acute myeloïde leukemie

Acute myeloïde leukemie (AML) is een zeldzame hematologische maligniteit die ontstaat in het beenmerg. Jaarlijks krijgen ongeveer 850 volwassenen in Nederland deze diagnose, maar door de vergrijzing neemt het aantal volwassen patiënten met AML toe. Hoewel de overleving de afgelopen decennia is verbeterd, blijft de prognose voor patiënten van 70 jaar en ouder ongunstig. In dit overzicht staan de belangrijkste cijfers over AML* bij volwassenen over incidentie, diagnostiek, eerstelijnsbehandeling en overleving op basis van data uit de Nederlandse Kankerregistratie.

*We hebben de zeldzame subtypes acute promyelocytenleukemie (APL) en blastaire plasmacytoïde dendritische celtumor (BPDCN) buiten beschouwing gelaten. Deze ziektebeelden verschillen sterk in diagnostiek, behandeling en prognose.

Informatie voor patiënten

Bent u patiënt of naaste? Vindt begrijpelijke en betrouwbare informatie over acute myeloïde leukemie op kanker.nl en de website van patiëntenvereniging Hematon.

Incidentie

Jaarlijks krijgen ongeveer 850 volwassenen in Nederland de diagnose acute myeloïde leukemie (AML). Daarnaast krijgen ongeveer 30 kinderen en jongeren tot 18 jaar deze diagnose. De mediane leeftijd bij diagnose is 70 jaar. AML komt dus vooral voor bij ouderen.

Binnen de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) registreren we AML alleen als secundaire maligniteit wanneer een eerdere aandoening aantoonbaar is vastgesteld met cytomorfologisch en/of histopathologisch onderzoek. Sinds 2014 leggen we deze gegevens systematisch vast.

Diagnostiek

Het risicoprofiel en de prognose van patiënten met AML is grotendeels afhankelijk van de chromosomale en moleculaire afwijkingen in de leukemiecellen (blasten). Zorgverleners gebruiken hiervoor de classificatie van het European LeukemiaNet (ELN). De ELN-risicoclassificatie is in 2016 en in 2022 ge-update. Door de complexiteit en de uitgebreidheid van het ELN-classificatiesysteem is de informatie in de NKR niet toereikend. Bij patiënten die deelnemen aan klinische studies wordt de risicoclassificatie bepaald volgens de criteria van de betreffende studie. Met behulp van de informatie die wel in de NKR zit, kunnen we laten zien hoeveel patiënten cytogenetische en moleculaire diagnostiek hebben ondergaan.

Cytogenetisch onderzoek

77% van de patiënten met AML onderging cytogenetisch onderzoek bij diagnose of vóór aanvang van de eerstelijnsbehandeling. Dit percentage bleef de afgelopen jaren stabiel. Er bestaat een duidelijke relatie met leeftijd: hoe ouder de patiënt, hoe minder vaak cytogenetisch onderzoek plaatsvindt. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat bij oudere patiënten vaker wordt afgezien van een tumorgerichte behandeling.

Moleculair onderzoek

70% van de patiënten met AML onderging moleculair onderzoek bij diagnose of vóór aanvang van de eerstelijnsbehandeling. Ook dit aandeel bleef relatief stabiel over de tijd. Opvallend is dat in de periode 2015-2017 patiënten van 60 jaar en ouder veel minder vaak moleculair onderzoek ondergingen. Maar het gebruik in die leeftijdsgroep is na die periode weer geleidelijk toegenomen. Net als bij cytogenetisch onderzoek geldt: hoe ouder de patiënt, hoe minder vaak moleculair onderzoek wordt uitgevoerd. De mogelijke verklaring hiervoor is ook vergelijkbaar.

Eerstelijnsbehandeling

Twee kuren met intensieve remissie-inductiechemotherapie blijft de meest effectieve behandeling voor AML, als de lichamelijke conditie van de patiënt dit toelaat. Daarna volgt vaak een consolidatiebehandeling om achtergebleven leukemiecellen te vernietigen en het risico op terugkeer van de ziekte te verkleinen. Consolidatie bestaat uit aanvullende chemotherapie, een autologe of een allogene stamceltransplantatie. De keuze voor het type consolidatie hangt af van meerdere factoren, zoals

  • het risicoprofiel van de ziekte
  • de respons op de behandeling
  • de verwachte bijwerkingen
  • de conditie en voorkeuren van de patiënt

Behandeling en leeftijd

Vrijwel alle patiënten tussen de 18 en 59 jaar krijgen intensieve inductiechemotherapie, vaak gevolgd door stamceltransplantatie. Oudere patiënten krijgen minder vaak intensieve behandeling. Patiënten van 70 jaar en ouder worden meestal behandeld met hypomethylerende middelen, vooral azacitidine. Sinds 2016 neemt het gebruik van deze middelen bij deze patiënten toe en neemt het gebruik van intensieve therapie af. Hypomethylerende middelen kunnen in een behandeling met curatieve intentie passen, bijvoorbeeld als er allogene stamceltransplantatie volgt. Sinds 2022 wordt ook de combinatie van venetoclax en azacitidine vaker ingezet bij patiënten die niet in aanmerking komen voor intensieve therapie. Tegelijkertijd daalt het aandeel onbehandelde oudere patiënten geleidelijk.

Overleving

De één- en vijfjaarsoverleving van patiënten met AML zijn in alle leeftijdsgroepen verbeterd, vooral bij patiënten jonger dan 80 jaar. Leeftijd blijft een belangrijke prognostische factor: hoe ouder de patiënt, hoe lager de overlevingskans. Bij patiënten jonger dan 70 jaar hangt de verbeterde overleving waarschijnlijk samen met gerichtere risicostratificatie en behandeling en een veiligere toepassing ervan, wat het risico op therapiegerelateerde sterfte verminderd. Toch is er in deze groep oversterfte ten opzichte van de algemene bevolking, doordat een deel van de patienten niet reageert op de behandeling, door bijwerkingen van de behandeling of door terugkeer van ziekte. Bij patiënten van 70 jaar en ouder is de verbetering beperkter, mogelijk doordat zij vaker comorbiditeiten hebben en daardoor minder vaak intensieve therapie krijgen. Sinds 2014 stijgt de overleving ook in deze groep licht. Mogelijk dragen hypomethylerende middelen hieraan bij.

Meer weten? 

Deze informatie is onderdeel van de publicatie Trends binnen de hemato-oncologie in Nederland (2026).