Diffuus grootcellig B-cellymfoom

Diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL) is één van de weinige niet-zeldzame kankers onder de hematologische maligniteiten. Ieder jaar wordt de diagnose DLBCL zo'n 1500 keer gesteld. DLBCL valt onder de agressieve non-hodgkinlymfomen. Het is een lymfoom dat bestaat uit snelgroeiende cellen die zich snel verspreiden en snel klachten veroorzaken. De overleving van patiënten met DLBCL is sinds de introductie van rituximab gestegen.

Incidentie

Deze selectie bevat alle gevallen van DLBCL not otherwise specified (DLBCL, NOS) ongeacht translocaties en moleculaire subtype. DLBCL komt vaker voor bij mannen (57%) dan bij vrouwen (43%). Bijna 65% van de patiënten is ouder dan 65 jaar bij diagnose. De mediane leeftijd bij diagnose is 70 jaar. DLBCL wordt het vaakst gediagnosticeerd bij patiënten tussen 65 en 79 jaar.

Diagnostiek

Stadiumverdeling

De diagnose DLBCL werd bij de meeste patiënten gesteld in het hoogste stadium, namelijk stadium IV (2.774 patiënten; 44%), gevolgd door stadium I, II en III bij respectievelijk 1.105 (17%), 1.125 (18%) en 1.143 (18%) patiënten. Het stadium was onbekend bij 156 (2%) van de 6.303 patiënten.

IPI-score

De International Prognostic Index (IPI) is een prognostisch model dat gebruikt wordt om het risicoprofiel van individuele patiënten met DLBCL te bepalen. De IPI is samengesteld uit leeftijd, serumlactaatdehydrogenase (LDH), de WHO-performance score, stadium van de ziekte en het aantal extranodale lokalisaties. Risicofactoren volgens de IPI zijn:

  • leeftijd boven 60 jaar
  • serum LDH boven de referentiewaarde
  • WHO-performance-score hoger dan 2
  • stadium III of IV van de ziekte
  • betrokkenheid van meer dan één extranodale klieren

Op basis van het aantal aanwezige risicofactoren worden patiënten ingedeeld in de volgende risicoprofielen (hoe hoger het risico, des te ongunstiger de prognose):

  • laag risico: 0 of 1 risicofactor aanwezig
  • laag intermediair risico: 2 risicofactoren aanwezig
  • hoog intermediair risico: 3 risicofactoren aanwezig
  • hoog risico: 4 of 5 risicofactoren aanwezig

In de periode 2014-2018 kon bij 42% van de patiënten met DLBCL de IPI-score niet worden berekend, omdat er onvoldoende informatie was over de risicofactoren. Dit komt vooral op conto van het ontbreken van de WHO-performance score.

Op basis van de aanwezig risicofactoren kon bij 58% van de DLBCL patiënten gediagnosticeerd in de periode 2014-2018 de IPI-score wel worden bepaald: 16% van de patiënten had een laag risicoprofiel, 12% een laag intermediair profiel, 12% een hoog intermediair profiel en 17% een hoog risicoprofiel.

Het aandeel patiënten met een onbekende IPI-score daalde enigszins van 46% in het diagnosejaar 2014 naar 43% in 2018.

WHO-performancescore

Bij 47% patiënten met DLBCL ontbrak de WHO-performancescore in de periode 2014-2018. Het percentage patiënten met een ontbrekende WHO-score is in diagnosejaar 2018 (46%) nauwelijks gedaald ten opzichte van diagnosejaar 2017 (46%), 2016 (45%) en 2015 (45%). Ten opzichte van het jaar 2014 (53%) is het verschil in afname van patiënten met een onbekende WHO-score het grootst, ongeveer 7%.

De verdeling over de WHO-performance-score was als volgt: 28% patiënten had een score van 0; 15% een score van 1; en 10% een score van 2, 3 of 4.

Primaire behandeling

Patiënten in de leeftijdscategorie 18-64 en 65-74 jaar kregen bijna allemaal een behandeling met R-CHOP (R-CHOP21 of R-CHOP14). In de leeftijdscategorie ≥75 jaar kreeg 6% geen rituximab-bevattende therapie en werd 26% niet behandeld. Patiënten in alle drie de leeftijdscategorieën die wel R-CHOP kreeg, werden voornamelijk behandeld met R-CHOP21.

Het aantal behandelingen met R-CHOP verschilt niet over de jaren in de periode 2014-2018. In 2018 werd behandeling met R-CHOP14 echter minder toegepast bij patiënten jonger dan 75 jaar. R-CHOP14 wordt nauwelijks toegepast bij patiënten in de leeftijd van 75 jaar en ouder.

Stadium I

De behandelrichtlijn van 2014 adviseert bij patiënten met stadium I DLBCL 3x R-CHOP21 gevolgd door radiotherapie, of 6x R-CHOP21. In april 2018 is deze richtlijn herzien. Echter is het advies in de herziene richtlijn voor de behandeling van patiënten met stadium I onveranderd gebleven.

3x R-CHOP21 gevolgd door radiotherapie werd toegepast bij respectievelijk 39%, 44% en 32% van de patiënten in de leeftijdscategorie 18-64, 65-74 en ≥75 jaar. Behandeling met 6x R-CHOP werd respectievelijk bij 23%, 18% en 14% van de patiënten in deze leeftijdsgroepen toegepast.

Het lijkt dat  patiënten in de leeftijd van 75 jaar en ouder over tijd minder met 3x R- CHOP21 + radiotherapie behandeld worden. In plaats daarvan wordt 6x R-CHOP21 iets breder ingezet in deze patiëntengroep.

Stadium II-IV

Patiënten in de leeftijdscategorie 18-64 jaar werden vaker behandeld met 8x R-CHOP21 (41%) ten opzichte van patiënten tussen 65 en 74 jaar (23%) en 75 jaar of ouder (7%). De toepassing van 8x R-CHOP21 bij patiënten in de leeftijd van 18 tot en met 64 jaar nam mettertijd af, en werd vervangen door een bredere inzet van 6x R-CHOP21 (al dan niet gevolgd door twee extra behandelingen met rituximab ofwel 2R).

In de leeftijdscategorie 75 jaar en ouder werd vaker 6x R-CHOP21 gegeven: 19% versus 17% in de leeftijdscategorie 18-64 jaar en 19% in de leeftijdscategorie 65 en 74 jaar.

In de leeftijdscategorie 65-74 jaar werd vaker 6x R-CHOP21 + 2R gegeven: 27% versus 13% in de leeftijdscategorie 18-64 jaar en 16% in de leeftijdscategorie 75 jaar en ouder.

Respons

Ruim 90% van de patiënten met een stadium I DLBCL die een behandeling met 3x R-CHOP21 + RT kregen, hadden een partiële respons (PR) of hoger. Van de patiënten die 6x R-CHOP21 kregen, had 94% een PR of hoger. Bij patiënten die een afwijkend aantal kuren R-CHOP-schema kregen, was het responspercentage 83% voor een PR of hoger.

De best behaalde respons bij patiënten met stadium II-IV behandeld met 8x R-CHOP21 was vergelijkbaar met patiënten behandeld met 6x R-CHOP21 + 2R; circa 94% had een PR of hoger als best behaalde respons.

Hoewel de absolute aantallen enigszins aan de lage kant zijn, had 98% van de patiënten na behandeling met 6x R-CHOP14 + 2R een PR of hoger. Van de patiënten die met 6x R-CHOP21 werden behandeld, had 90% een PR of hoger als best behaalde respons. Van de patiënten die een afwijkend schema kregen (exclusief 6x R-CHOP21 + 2R), had 56% een PR of hoger.

Overleving

De relatieve 5-jaarsoverleving van patiënten met DLBCL is in alle leeftijdsgroepen toegenomen, vooral bij patiënten tot 65 jaar. De introductie van rituximab medio 2003 lijkt een positief effect te hebben op de overleving, aangezien de overleving vanaf 2003 is toegenomen. In de meest recente kalenderperiode is bij DLBCL-patiënten in de leeftijdsgroep 65 jaar en ouder nog steeds veel meer oversterfte ten opzichte van jongere patiënten. In de meest recente kalenderperiode is bij DLBCL-patiënten met stadium II-IV ziekte nog steeds aanzienlijke oversterfte. Late oversterfte kan een gevolg zijn van late effecten of recidieven.

De relatieve overleving bij diagnose neemt af bij een hoger stadium en hogere leeftijd.

Deze informatie is een aanvulling op de informatie per hematologische maligniteit in het rapport 'Hemato-oncologische zorg in Nederland'. In het rapport vindt u een samenvatting van de informatie per hematologische maligniteit, uitgebreide informatie over kwaliteit van leven bij patiënten die een hematologische maligniteit hebben (gehad) en aanbevelingen om de hemato-oncologische zorg nog verder te verbeteren.

Informatie voor patiënten over diffuus grootcellig B-cellymfoom vindt u op kanker.nl en de website van patiëntenorganisatie Hematon