Diffuus grootcellig B-cellymfoom
Diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL) is een agressieve vorm van non-hodgkinlymfoom. De ziekte ontstaat in B-cellen: witte bloedcellen die een belangrijke rol spelen in het afweersysteem. Omdat de kankercellen groter zijn dan normale B-cellen, noemen we dit type lymfoom ‘grootcellig’. In dit overzicht vindt u de belangrijkste cijfers over DLBCL over incidentie, diagnostiek, behandeling en overleving op basis van data uit de NKR.
Informatie voor patiënten
Bent u patiënt of naaste? Vindt begrijpelijke en betrouwbare informatie over diffuus grootcelling B-cellymfoom op de website van patiëntenvereniging Hematon.
Incidentie
DLBCL is een van de weinige hematologische maligniteiten die niet zeldzaam is. Jaarlijks krijgen ongeveer 1400 mensen in Nederland deze diagnose. Het aantal nieuwe gevallen steeg tot 2010, ook als we rekening houden met de vergrijzing. Sinds 2010 is het aantal diagnoses per inwoneraantal redelijk constant gebleven. Door de groei van de bevolking stijgt het absolute aantal nieuwe diagnoses nog steeds licht. DLBCL komt vaker voor bij mannen (56%) dan bij vrouwen (44%). Ongeveer twee derde (64%) van de patiënten is 65 jaar of ouder bij diagnose.
Diagnostiek
De diagnose van DLBCL is gebaseerd op lichamelijk onderzoek en weefselonderzoek (biopsie). Na diagnose volgt een PET-CT-scan om het stadium van de ziekte te bepalen. Het stadium geeft aan hoe ver de ziekte zich heeft verspreid. Stadium I houdt in dat één lymfekliergebied is aangedaan, tot en met stadium IV, dat betekent dat de ziekte ook buiten de lymfeklieren zit, bijvoorbeeld in het beenmerg of andere organen. DLBCL groeit snel en geeft in het begin vaak weinig specifieke klachten. Hierdoor heeft bijna de helft van de patiënten (48%) bij diagnose al stadium IV DLBCL.
Risico-inschatting: IPI-score
De International Prognostic Index (IPI) geeft een indicatie van het verwachte verloop van de ziekte en de kans op genezing. Deze score is gebaseerd op factoren als leeftijd, ziektestadium, lichamelijke conditie (performance status), aantal aangedane gebieden buiten de lymfeklieren en een bloedwaarde (LDH). Patiënten worden op basis van de score ingedeeld in een van vier risicoprofielen: laag, laag-intermediair, hoog-intermediair of hoog. Een hoger risicoprofiel hangt samen met een ongunstiger ziekteverloop. De verdeling van patiënten over de risicogroepen is redelijk gelijkmatig (tussen 13% en 19%), maar bij ruim één derde (38%) kon geen IPI-score worden berekend door ontbrekende gegevens.
Eerstelijnsbehandeling
Het behandelplan bij diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL) is afhankelijk van het stadium van de ziekte, eventuele genetische afwijkingen en de lichamelijke conditie van de patiënt. Een veelvoorkomende behandeling bij DLBCL is R-CHOP (rituximab, cyclofosfamide, hydroxydaunorubicine, oncovin en prednison). Deze chemo-immunotherapie wordt met een interval van twee weken (R-CHOP14) of drie weken (R-CHOP21) gegeven. R-CHOP14 wordt niet vaak meer toegepast.
Stadium I
Tussen 2014 en 2018 kregen de meeste patiënten met stadium I DLBCL een combinatie van 3 kuren R-CHOP21 gevolgd door radiotherapie. Sinds 2019 is de richtlijn aangepast: een deel van de patiënten krijgt nu 4 kuren R-CHOP, gevolgd door 2 extra doses rituximab, zonder bestraling. Deze nieuwe aanpak wordt vooral toegepast bij jongere patiënten.
Stadium II-IV
Patiënten met stadium II tot IV kregen tot 2018 vaak 8 kuren R-CHOP. Een studie uit 2021 toonde aan dat 6 kuren R-CHOP even effectief zijn, maar met minder bijwerkingen. Sindsdien is de richtlijn aangepast: patiënten met stadium II–IV krijgen nu meestal 6 kuren R-CHOP.
Afzien van behandeling bij kwetsbare oudere patiënten
Bij patiënten van 75 jaar en ouder krijgt 26% geen behandeling. De redenen daarvoor verschillen. 43% heeft andere gezondheidsproblemen of een verminderde conditie; 22% heeft een snel verslechterend ziektebeloop of overlijdt kort na diagnose; en 31% besluit (samen met naasten) af te zien van behandeling.
Met een PET/CT-scan wordt gemeten of de behandeling aanslaat. Bij patiënten met stadium I DLBCL leidt de combinatie van 3 R-CHOP-kuren met bestraling bij ongeveer 90% tot complete metabole remissie. Dat wil zeggen dat er op de scan geen tekenen van actieve ziekte meer te zien zijn. Bij andere R-CHOP-combinaties ligt dit percentage rond de 80%.
Bij patiënten met stadium II–IV bereikt in 90% van de gevallen minstens een partiële remissie (PR), ongeacht of zij 6 of 8 kuren R-CHOP krijgen. Een uitzondering vormt de groep patiënten stadium II-IV met overige R-CHOP-schema’s: hier ligt de respons rond de 50%. Deze lagere uitkomst hangt mogelijk samen met een slechtere algemene gezondheid van deze patiënten, waardoor de intensiteit van de behandeling is aangepast.
Tweedelijnsbehandeling
Soms slaat de eerste behandeling onvoldoende aan (refractaire ziekte). Ook kan de ziekte na een succesvolle eerste behandeling later terugkeren (recidief). Deze patiënten komen in aanmerking voor een tweedelijnsbehandeling. Voor een deel van de DLBCL-patiënten die een tweedelijnsbehandeling kregen is informatie beschikbaar over hun behandeling. Het gaat om een groep patiënten die de diagnose kreeg tussen 2014 en 2018, met een mediane follow-up van ongeveer drie tot vier jaar.
Inductiechemotherapie en stamceltransplantatie
De meeste patiënten kregen in de tweede lijn een inductiebehandeling (55%). Dit is een korte, krachtige chemotherapie, bedoeld om de ziekte terug te dringen. De meest gebruikte inductieschema’s waren DHAP (45%), DHAP/VIM (39%) en GDP (12%). Patiënten die goed reageren op deze behandeling komen in aanmerking voor een autologe stamceltransplantatie (ASCT). In deze groep onderging 42% van de patiënten (ASCT) na inductietherapie.
Alternatieven voor kwetsbare patiënten
Patiënten die minder fit zijn en/of ouder dan 70 jaar zijn, krijgen vaker een minder intensief schema. Deze behandelingen zijn minder belastend, maar ook minder effectief. De meest gegeven kuren waren (R-)PECC (24%) en bendamustine met rituximab (BR) (4%).
Nieuwe ontwikkelingen: CAR-T-celtherapie
Het behandellandschap bij DLBCL is steeds in ontwikkeling. CAR-T-celtherapie wordt inmiddels ingezet bij recidief ziekte in de derde lijn en sinds 2024 ook in de tweede lijn. CAR-T-celtherapie is een innovatieve immunotherapie die het eigen afweersysteem van de patiënt programmeert om kankercellen gericht aan te vallen. Deze vorm biedt mogelijkheid tot genezing voor een deel van de patiënten.
Overleving
De relatieve 5-jaarsoverleving voor patiënten met DLBCL nam sinds 1989 toe in alle leeftijdsgroepen. Dit komt onder andere door de toevoeging van rituximab aan bestaande CHOP-chemotherapie in 2003. Toch zien we bij oudere DLBCL-patiënten nog steeds oversterfte ten opzichte van jongere patiënten. Dit komt mogelijk door terugkeer van ziekte, bijkomende aandoeningen of sterfte als gevolg van behandeling.
Meer weten?
Deze informatie is onderdeel van de publicatie Trends binnen de hemato-oncologie in Nederland (2026).