Chronische myeloïde leukemie (CML) is een zeldzame vorm van bloedkanker waarbij het beenmerg te veel witte bloedcellen aanmaakt en vaak ook bloedplaatjes. De ziekte ontstaat door een genetische afwijking in de myeloïde stamcellen. De ziekte verloopt traag, vandaar de benaming ‘chronisch’. In dit overzicht vindt u de belangrijkste cijfers over CML over incidentie, diagnostiek en overleving op basis van data uit de NKR.
Jaarlijks krijgen ongeveer 200 mensen in Nederland de diagnose CML. Dit aantal blijft al jaren relatief stabiel. CML kan op alle leeftijden voorkomen, maar het komt het meest voor bij mensen boven de 60 jaar. De ziekte wordt iets vaker vastgesteld bij mannen (57%) dan bij vrouwen (43%).
Diagnostiek
CML kent drie fasen:
Chronische fase: goed behandelbaar, verhoogd aantal witte bloedcellen; de meeste patiënten (81%) krijgen de diagnose in deze fase
Acceleratiefase: ziekte ontwikkelt zich sneller
Blastaire fase: explosieve groei van onrijpe cellen (blasten), slechtere prognose
Sinds 2022 hanteert de WHO een nieuwe indeling, waarbij de focus ligt op hoogrisicokenmerken. De acceleratiefase is daarin vervallen. Hier maken we nog gebruik de WHO-classificatie uit 2016.
Eerstelijnsbehandeling
De behandeling van CML hangt af van de fase waarin de ziekte zich bevindt:
Chronische of acceleratiefase: vooral behandeling met imatinib (eerste generatie tyrosinekinaseremmer, TKI).
Blastaire fase: behandeling voornamelijk met dasatinib (tweede generatie TKI).
Imatinib is effectief en meestal goed verdraagbaar, maar minder krachtig dan nieuwere TKI’s. Daarom krijgen vooral patiënten in de chronische fase imatinib. Oudere patiënten (≥70 jaar) zien vaker af van behandeling. Het gebruik van nilotinib daalde licht in de afgelopen jaren, mogelijk door de opkomst van alternatieve TKI’s en het verlopen van het patent op imatinib.
Aanpassing van behandeling en dosering
Het verhogen van de dosering kan als doel hebben om een snellere en betere reactie op de behandeling te bereiken. Van de patiënten die starten met imatinib, blijft 61% dit in het eerste jaar gebruiken. Een derde van hen krijgt wel een dosisaanpassing: 53% krijgt een hogere en 47% een lagere dosering. Van het kleine aantal patiënten dat nitolinib krijgt, blijven de meeste op dezelfde of lagere dosering, vermoedelijk vanwege bijwerkingen.
Respons
Om het effect van de behandeling te volgen, wordt de lichamelijke respons op therapie gemeten. In het eerste jaar na diagnose moet dit standaard elke drie maanden gebeuren. Van de patiënten in chronische fase die imatinib kregen, bereikte 54% binnen een jaar een respons.
Bij CML betekent een MMR dat er nog maar heel weinig ziekte in het bloed zit.
Een MR4 is een nog diepere respons, waarbij bijna geen ziekte meer meetbaar is.
MR4.5 is de diepste respons, en geeft de grootste kans op langdurige remissie of zelfs stoppen met medicatie.
De responsmonitoring is de afgelopen tien jaar verbeterd: 95% van de patiënten wordt elke 3 maanden gemonitord. Vooral patiënten van 70 jaar en ouder missen soms de aanbevolen frequentie.
Overleving
De introductie van imatinib in 2001 betekende een keerpunt in de behandeling van CML. De overleving steeg aanzienlijk, ook door de komst van tweede- en derde generatie TKI’s. Tussen 2019 en 2023 verbeterde de overleving licht voor patiënten van 70 jaar en ouder ten opzichte van de periode ervoor. Voor jongere patiënten bleef de overleving stabiel.