Burkittlymfoom (BL) is een zeer zeldzaam en uitzonderlijk agressief B-cel-non-hodgkinlymfoom. De symptomen zijn vaak ernstig dankzij de snelle groei van tumoren buiten de lymfeklieren zoals in de buik, borstkas of het centrale zenuwstelsel. In dit overzicht vindt u de belangrijkste cijfers over BL over incidentie, behandeling en overleving op basis van data uit de NKR.
Informatie voor patiënten
Bent u patiënt of naaste? Vindt begrijpelijke en betrouwbare informatie over burkittlymfoom op de website van patiëntenvereniging Hematon.
Incidentie
Jaarlijks krijgen gemiddeld 30 tot 40 volwassenen in Nederland de diagnose BL. Mannen krijgen opvallend vaker BL dan vrouwen (83% versus 17%). Deze geslachtsverdeling is (inter)nationaal kenmerkend voor BL.
De mediane leeftijd bij diagnose is 57 jaar. De ziekte komt vooral voor bij mensen onder de 75 jaar.
- 57% van de patiënten is tussen de 18 en 60 jaar
- 31% tussen de 61 en 75 jaar,
- 11% ouder dan 75 jaar.
Stadium bij diagnose
De meeste patiënten krijgen de diagnose in een vergevorderd stadium. 85% heeft een Ann Arbor-stadium III of IV.
Eerstelijnsbehandeling
Tussen 2014–2018 en 2019–2023 verschuift de eerstelijnsbehandeling van intensieve schema’s zoals R-CODOX-M (met/zonder R-IVAC) naar DA-EPOCH-R. Mogelijke verklaringen zijn de vergelijkbare effectiviteit van DA-EPOCH-R maar met minder bijwerkingen. Dat is vooral relevant voor patiënten met bijkomende aandoeningen of verminderde belastbaarheid; vaak de oudere patiënt. Deze verschuiving in behandeling is het sterkst bij patiënten jonger dan 65 jaar en is niet gerelateerd aan het stadium bij diagnose.
Overleving
De overleving van patiënten met BL verbeterde tussen 1989 en 2023 aanzienlijk, met name bij patiënten jonger dan 65 jaar. Vanaf 2003 is een duidelijke stijging te zien. Sinds dat jaar maakt rituximab standaard deel uit van intensieve chemotherapie bij BL en andere CD20-positieve grootcellige lymfomen. Ook bij patiënten van 65 jaar en ouder is de overleving toegenomen, al blijft de prognose voor deze groep beduidend ongunstiger. Vooral in het eerste jaar na diagnose zien we oversterfte, mogelijk door vroege complicaties van de ziekte of schade door intensieve behandeling.
De overleving is sterk afhankelijk van het stadium bij diagnose. Patiënten met stadium I–II hebben een duidelijk betere prognose dan patiënten met stadium III–IV.
In de periode 2019–2023 lijkt de relatieve overleving iets lager dan in 2014–2018. Maar deze daling moet voorzichtig worden geïnterpreteerd. Vanwege de zeldzaamheid van BL zijn de overlevingscijfers gevoeliger voor toeval en casemixverschillen. Uit overlevingscijfers over meerdere decennia blijkt dat de langetermijnvooruitzichten voor BL-patiënten structureel verbeterde. Maar bij patiënten van 65 jaar en ouder blijft de prognose slechter.
Meer weten?
Deze informatie is onderdeel van de publicatie Trends binnen de hemato-oncologie in Nederland (2026).