Multipel myeloom
Multipel myeloom (MM, ziekte van Kahler) ontstaat door kwaadaardige woekering van plasmacellen in het beenmerg. Dankzij de toename aan behandelopties is de overleving in 30 jaar tijd meer dan verdubbeld. Toch geldt nog steeds: de ziekte is niet te genezen en de prognose voor oudere patiënten is slechter dan voor jongere patiënten. In dit overzicht vindt u de belangrijkste cijfers over MM over incidentie, diagnostiek, prognose, behandeling en overleving op basis van data uit de NKR.
Informatie voor patiënten
Bent u patiënt of naaste? Vindt begrijpelijke en betrouwbare informatie over multipel myeloom op kanker.nl en de website van patiëntenvereniging Hematon.
In Nederland krijgen jaarlijks ongeveer 1400 volwassenen de diagnose MM.
MM komt vaker voor bij mannen (59%). De helft van de patiënten is 70 jaar of ouder bij diagnose. Het aantal patiënten ouder dan 75 jaar nam vanaf 2005 snel toe. Sinds 2015 is dit aantal stabiel; 35 patiënten per 100.000.
Bij vermoeden van een MM wordt beenmergonderzoek gedaan om het percentage plasmacellen vast te stellen en bloedonderzoek om het type antilichaam vast te stellen dat de woekerende cellen overmatig produceren.
- Ongeveer 5% van alle patiënten met MM heeft minder dan 10% plasmacellen in het beenmerg
- 95% van de patiënten met MM heeft 10% of meer plasmacellen.
Aanvullend onderzoek bepaalt de mate van myeloom-gerelateerde orgaanschade door calcium, nierfunctie, hemoglobine en het aantal botlaesies te meten (de zogenaamde CRAB-criteria). Op basis van die criteria worden symptomatisch MM en smeulend MM onderscheiden.
- Ongeveer 16% van de patiënten heeft een smeulend MM en dus geen CRAB-criteria.
- Ruim 80% van de patiënten heeft een symptomatisch MM met één of meerdere botlaesies, 19% een te hoog calciumgehalte, 20% met nierfunctiestoornissen en 38% met anemie.
Het Revised International Staging System (R-ISS, gehanteerd tussen 2016 en 2023) schat het ziektebeloop van patiënten met symptomatisch MM. De R-ISS-score wordt berekend met behulp van de labwaarden albumine, β2-microglobuline en lactaatdehydrogenase, en het cytogenetisch profiel. Voor dat profiel wordt gekeken of de afwijkingen del(17p), t(4;14) en t(14;16) aanwezig zijn. Patiënten met één of meer van deze drie afwijkingen vallen in een hoog-risico cytogenetisch profiel.
Over de hele linie ondergaan patiënten steeds vaker cytogenetisch onderzoek, in totaal ruim 75% van de patiënten met MM. Ongeveer 25% van de patiënten met symptomatisch MM en 19% van de patiënten met een smeulend MM hebben een hoog-risico genetisch profiel.
De R-ISS onderscheidt R-ISS-scores I, II en III.
- Voor patiënten met symptomatisch MM geldt: hoe hoger de score, hoe ongunstiger het ziekteverloop met een kortere levensverwachting. De meeste symptomatische patiënten vallen in R-ISS II (intermediair risico). Voor 31% konden we de R-ISS-score niet berekenen, omdat tenminste één van de vier parameters ontbrak.
- Patiënten met een smeulend MM hebben veel vaker een lagere R-ISS-score dan patiënten met een symptomatisch MM. Ook is de R-ISS-score bij patiënten met smeulend MM vaker onbekend.
Sinds 2014 steeg het aandeel patiënten met een smeulend MM dat direct een behandeling krijgt van 14% naar 20%. De behandeling van MM bestaat al jaren voornamelijk uit bi- of tripletcombinaties van bortezomib en lenalidomide. In de afgelopen jaren wordt bij het overgrote deel van de patiënten daratumumab toegevoegd aan bestaande schema’s, conform de huidige behandelrichtlijnen.
Leeftijd en, in toenemende mate, fitheid bepalen welke behandeling patiënten met symptomatisch MM krijgen.
- Ongeveer 6% van de patiënten krijgt geen tumorgerichte behandeling, vaak vanwege een slechte lichamelijke conditie, bijkomende aandoeningen of een agressief ziekteverloop.
- Naarmate de leeftijd bij diagnose stijgt, neemt het aandeel patiënten zonder behandeling toe. De prognose voor deze groep is slecht: de mediane overleving is minder dan twee maanden.
- Voor patiënten met snel toenemende tumorbelasting (‘snelle progressie’ genoemd in figuur hieronder) zonder behandeling is de prognose het slechtst.
Volgens de behandelrichtlijn voor multipel myeloom uit 2021 is een autologe stamceltransplantatie (asct) de initiële behandeling voor patiënten jonger dan 71 jaar, mits zij fit genoeg zijn. Het percentage patiënten dat een asct ondergaat, blijft over de jaren stabiel. Opvallend is de stijging in asct bij patiënten van 66–70 jaar: tien jaar geleden kreeg niemand in deze leeftijdsgroep een transplantatie, in 2023 is dat opgelopen tot 40%.
Bij patiënten met een 17p-deletie, een van de drie afwijkingen voor een hoog-risico cytogenetisch profiel, adviseert de richtlijn een dubbele transplantatie; 32% van deze patiënten heeft een dubbele transplantatie gekregen.
Sinds 2021 krijgen patiënten die in aanmerking komen voor asct aanvullend daratumumab in combinatie met bortezomib, thalidomide en dexamethason (VTd) of met bortezomib, lenalidomide en dexamethason (VRd). Voor 2021 kregen patiënten deze combinaties zonder daratumumab.
Voor patiënten die geen asct krijgen vanwege hun conditie en/of leeftijd, zijn combinaties mogelijk van daratumumab met lenalidomide en dexamethason, of melfalan, prednison en bortezomib. Minder intensieve opties zoals Rd of MPV zonder daratumumab zijn ook mogelijk.
De overleving van symptomatisch MM verbeterde de afgelopen decennia sterk, mede dankzij nieuwe behandelingen en betere en gerichtere inzet van bestaande behandelingen. Toch blijven we oversterfte zien onder patiënten onder de 70 jaar in vergelijking met de algemene bevolking. Dit komt mogelijk door terugkeer van ziekte, sterfte als gevolg van de behandeling of bijkomende aandoeningen.
Van de patiënten met symptomatische MM ouder dan 70 jaar krijgt 23% geen behandeling; de helft overlijdt binnen zes maanden na diagnose. Oorzaak kan terughoudendheid zijn in het geven van intensieve therapieën aan oudere patiënten met bijkomende gezondheidsproblemen en/of minder goede lichamelijke conditie. Leeftijd blijkt een belangrijke voorspeller voor overleving: hoe ouder, hoe lager de kans op langdurige overleving.
Meer weten?
Deze informatie is onderdeel van de publicatie Trends binnen de hemato-oncologie in Nederland (2026).