Prognostiek

Thesis klinische en pathologische aspecten dunnedarm- en appendixkanker

Thesis klinische en pathologische aspecten dunnedarm- en appendixkanker

Patiënten met zeldzame dunne darm- en appendixkanker krijgen in de klinische praktijk vaak nog eenzelfde behandeling als patiënten met maag- en dikkedarmkanker. De onderbouwing hiervoor ontbreekt grotendeels concludeert Laura Legué in haar proefschrift. Daarin toont ze aan dat dunne darm- en appendixkanker unieke kankersoorten zijn, met elk een zeer verschillend ziektebeloop. Verder blijkt dat bij gemetastaseerde dunnedarmkanker slechts een minderheid van de patiënten palliatieve chemotherapie ontvangt. En bij appendixkanker met uitzaaiingen naar het buikvlies heeft het histologisch subtype een belangrijke prognostische waarde.

lees verder

QLQ-C30-samenvattingsscore heeft sterkere prognostische waarde overleving

QLQ-C30-samenvattingsscore heeft sterkere prognostische waarde dan andere subschalen

De QLQ-C30-samenvattingsscore (waarin alle symptomen en functioneringsschalen zijn opgenomen) heeft een aanzienlijk sterkere prognostische waarde voor het bepalen van de algehele overleving van patiënten met kanker dan de veelgebruikte schalen voor fysiek functioneren en algemene kwaliteit van leven. Tot die conclusie komen Olga Husson (NKI, Royal Marsden NHS Foundation Trust, Londen) en collega’s. Deze bevinding heeft belangrijke implicaties voor de klinische praktijk, niet alleen bij diagnose maar ook tijdens de follow-up. De onderzoekers adviseren daarom monitoringssystemen te implementeren om overlevenden van kanker langer te volgen.

lees verder

Meeste patiënten met NLPHL hebben uitzicht op normale levensverwachting

Een meerderheid van de patiënten met de nodulaire lymfocytenrijke variant van het hodgkinlymfoom (NLPHL) heeft in Nederland het vooruitzicht op een normale levensverwachting. Dat concluderen Hidde Posthuma (Amsterdam UMC, locatie VUmc) en collega’s in een studie met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Daarin wordt onder andere gesignaleerd dat de incidentie van deze ziekte tussen 1993 en 2016 is toegenomen, waarschijnlijk door toegenomen bewustzijn van clinici en pathologen en verbetering van diagnostische technieken. Verder stellen zij vast dat de toevoeging van rituximab aan bestaande therapieschema’s geen bijdrage lijkt te leveren aan het verbeteren van de overleving.

lees verder

Overleving bij maligne peritoneaal mesothelioom licht verbeterd

Aantal operaties bij maligne peritoneaal mesothelioom toegenomen

Patiënten met maligne peritoneaal mesothelioom hebben een slechte prognose. In Nederland is de 2-jaarsoverleving van deze patiënten de afgelopen decennia verbeterd van 10% naar 20%. Zeer waarschijnlijk is dat een gevolg van agressiever behandelen en vaker toepassen van chirurgie. Echter, een meerderheid van de patiënten met deze ziekte kreeg geen enkele anti-kankerbehandeling, zo blijkt uit onderzoek van Nadine de Boer (Erasmus MC) en collega’s. Ze pleiten daarom voor centralisatie van zorg in gespecialiseerde medische centra en invoering van een internationaal gestandaardiseerd stadiëringssysteem.

lees verder

Studie naar relevantie histologische subtypen op prognose appendixcarcinoom

Pathologisch onderzoek

Bij patiënten met een locoregionaal of niet naar het buikvlies gemetastaseerd appendixadenocarcinoom heeft het histologisch subtype van de tumor géén invloed op de prognose. Echter, bij patiënten met peritoneale metastasen is het mucineus subtype wél een gunstige prognostische factor ten opzichte van patiënten met het een niet-mucineus adenocarcinoom. Dat blijkt uit onderzoek van Laura Legué (Catharina Ziekenhuis, Eindhoven & IKNL) en collega’s. Deze uitkomsten bevestigen dat mucineuze en niet-mucineuze adenocarcinomen in de appendix verschillend zijn als het gaat om prognose en behandelmogelijkheden.

lees verder

Blaaskanker bij vrouwen: alleen eerste twee jaar na diagnose hoger sterfterisico

Alleen eerste twee jaar na diagnose oversterfte door blaaskanker bij vrouwen

Vrouwen met blaaskanker hebben alleen in de eerste twee jaar na diagnose een hoger risico om te overlijden aan deze ziekte dan mannen. In de jaren daarna is het sterfterisico van mannen en vrouwen vergelijkbaar, zo blijkt uit onderzoek van Anke Richters (IKNL) en collega’s. Dat betekent dat bij vrouwen sprake is van een onderschatting van de oversterfte in de eerste twee jaar na diagnose. Mogelijk is een agressievere behandeling van vrouwen met blaaskanker gerechtvaardigd.

lees verder

Grote verschillen in uitzaaiingspatronen stadium IV inflammatoire borstkanker

Bij patiënten met stadium IV inflammatoire borstkanker worden belangrijke verschillen waargenomen in uitzaaiingspatronen en algehele overleving samenhangend met de verschillende subtypen (HR/HER2-status) van deze ziekte. Dat concluderen Dominique van Uden (Radboudumc) en collega’s in een publicatie in Breast Cancer Research and Treatment. Volgens de onderzoekers heeft dit inzicht belangrijke consequenties voor het adviseren van patiënten over hun prognose en eventuele behandelopties. De studie onderstreept tevens de mogelijkheid tot gerichtere stadiëring afgestemd op het subtype.

lees verder

CA125 is onafhankelijke prognostische factor bij gevorderde eierstokkanker

Peri-operatieve verandering in CA125-niveau (kankerantigen 125) na primaire chirurgie is een onafhankelijke prognostische factor voor het schatten van de algehele overleving van patiënten met gevorderde epitheliale eierstokkanker. Die conclusie trekken Maite Timmermans (IKNL) en collega’s in de European Journal of Obstetrics & Gynecology and Reproductive Biology aan de hand van gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Om de prognose van deze patiënten beter te kunnen voorspellen, pleiten zij voor een gecombineerd model, waarbij de restziekte wordt beoordeeld door een gynaecoloog aangevuld met het vaststellen van verandering van het peri-operatief CA125-niveau.

lees verder