Grote variatie in (neo-)adjuvante chemotherapie bij pancreasadenocarcinoom

24-09-2018
Binnen het EURECCA-consortium bestaat grote variatie bij de inzet van neoadjuvante en adjuvante chemotherapie bij patiënten met stadium I of II pancreasadenocarcinoom. Dat blijkt uit een studie met data (2012-2013) afkomstig van acht nationale en regionale kankerregistraties en een onderzoekscentrum in Milaan. De uitkomsten wijzen volgens de onderzoekers op verschillen bij de implementatie van algemeen geaccepteerde richtlijnen. De bevindingen in deze studie bieden aanknopingspunten voor nader onderzoek naar ‘best practices’. Het consortium onderstreept tevens het belang van een uniforme en complete registratie om internationale vergelijkingen en de ontwikkeling van internationale richtlijnen mogelijk te maken.

Het doel van EURECCA, het EUropean REgistration of Cancer CAre consortium, is verschillen in de behandeling en zorg van patiënten met kanker in Europa te onderzoeken en te verbeteren. In deze studie is een vergelijking gemaakt tussen behandeling met neoadjuvante en adjuvante chemotherapie en de uitkomsten na resectie van pancreasadenocarcinoom stadium I en II in het EURECCA pancreas-consortium. De (geanonimiseerde) datasets waren afkomstig van vijf nationale kankerregistraties in België, Slovenië, Oekraïne, Bulgarije en Nederland (NKR), twee regionale kankerregistraties in Catalonië en München, en één onderzoekscentrum (Humanitas University) in Milaan.

Opzet en resultaten

Gegevens van patiënten die in 2012-2013 zijn gediagnosticeerd met stadium I of II pancreasadenocarcinoom en die een chirurgische behandeling kregen, werden onderzocht en vergeleken met betrekking tot behandeling en overleving met uni- en multivariabele logistische en Cox-regressieanalyses. Alle vergelijkingen werden afzonderlijk per registratietype uitgevoerd: nationale, regionale en single-centerregistraties. In totaal werden 2.052 patiënten geïncludeerd.

Bij een meerderheid van de patiënten was stadium II aanwezig. Het gebruik van neoadjuvante chemotherapie was in de meeste registraties beperkt (bereik 2,8-15,5%) en verschilde na correctie voor potentieel verstorende factoren alleen tussen België en Nederland. Het gebruik van adjuvante chemotherapie verschilde tussen de registraties (bereik 40,5-70,0%), ook na correctie voor potentieel verstorende factoren. Ook de 90-dagenmortaliteit liet grote verschillen zien tussen de registraties (bereik 0,9-13,6%). Met multivariabele analyses toonden de onderzoekers verschillen aan in de algehele overleving tussen de nationale en regionale registraties onderling. Bovendien vertoonden patiënten in hogere leeftijdscategorieën en patiënten met stadium II een significant slechtere, algehele overleving.

Conclusies en aanbevelingen

De onderzoekers concluderen dat deze studie een duidelijk inzicht biedt in de klinische praktijk bij de behandeling van patiënten met stadium I en II pancreasadenocarcinoom binnen het EURECCA-pancreasconsortium. De waargenomen variatie bij neoadjuvante en adjuvante chemotherapie duidt op verschillen bij de implementatie van algemeen geaccepteerde richtlijnen. Deze kennis biedt mogelijkheden voor nader onderzoek naar best practices en verdere verbetering van behandelingen. Het EURECCA-pancreasconsortium onderstreept tevens het belang van een uniforme en complete registratie, mede omdat internationale vergelijkingen steeds belangrijkere pijlers zijn voor het ontwikkelen van internationale richtlijnen.

 

volg ons: