Covid-19 en kanker update mei

In de eerste vier maanden van 2021 zien we geen negatief effect van de coronacrisis op het aantal nieuwe kankerdiagnoses. Vanwege de over het algemeen stijgende incidentie van kanker, met name door groei van de ouder wordende bevolking, is de verwachting dat het aantal diagnoses in 2021 iets hoger is dan in de jaren voor de coronacrisis. De relatief hoge incidentie in maart 2021 kan mede verklaard worden door het grotere aantal werkdagen (23 i.p.v. 20 in januari, februari en april). Daarnaast lijkt er in 2021 sprake van een inhaaleffect van diagnoses die in 2020 niet zijn gesteld. Over de stadiumverdeling en behandelingen voor kanker in 2021 zijn nog geen betrouwbare data beschikbaar. De beschikbare stadiumgegevens van 2020 laten geen verschuiving zien naar hogere stadia van kanker bij diagnose.

In het najaar 2020 was het aantal diagnoses ook iets hoger dan in voorgaande jaren. Doordat de bevolkingsonderzoeken vanaf de zomer van 2020 weer zijn opgestart was het aantal diagnoses borst- en darmkanker per maand vanaf het najaar van 2020 ook weer vergelijkbaar met voorgaande jaren. Hierdoor bleef de daling van het totale aantal kankerdiagnoses in 2020 ten opzichte van 2019 uiteindelijk beperkt tot slechts drie procent, circa vierduizend diagnoses.

Een tweede dip in het aantal kankerdiagnoses is waarschijnlijk voorkomen doordat mensen met klachten op tijd contact hebben opgenomen met de huisarts en vervolgens de noodzakelijke diagnostiek heeft plaatsgevonden. Dat toont de grote inzet van zowel de huisartsen als de zorgprofessionals in de ziekenhuizen en het vertrouwen van de patiënt weer zorg te zoeken bij klachten.

Het absolute aantal kankerdiagnoses in Nederland neemt toe als gevolg van bevolkingsgroei en vergrijzing. In het decennium voor de coronacrisis bedroeg de stijging gemiddeld ongeveer twee procent per jaar. Aannemende dat deze trend doorzet zou men kunnen verwachten dat het aantal kankerdiagnoses in 2021 zes procent boven het gemiddelde van 2017-2019 ligt. In januari-april 2021 was het aantal kankerdiagnoses negen procent hoger dan het gemiddelde van 2017-2019, ofwel drie procent hoger dan verwacht. Dit kan wijzen op verdere inhaal van diagnoses die eerder ten gevolge van covid-19 nog niet waren gesteld.

Voorjaar 2020: drie maanden lang minder diagnoses 

In de zomer van 2020 constateerden we dat door drie maanden lang minder diagnoses minstens vijfduizend diagnoses nog niet waren gesteld. Als gevolg van de covid-19-crisis was het aantal nieuwe kankerdiagnoses in maart, april en mei van 2020 20-25% lager dan gebruikelijk. In bovenstaande grafiek wordt het aantal nieuwe kankerpatiënten per maand in 2020 en 2021 vergeleken met de voorgaande drie jaren. Basaalcelcarcinoom en plaveiselcelcarcinoom van de huid worden getoond in een aparte grafiek vanwege de grote aantallen en omdat ze zelden levensbedreigend zijn. Bij deze huidtumoren daalde het aantal nieuwe tumoren zelfs met meer dan de helft.

Najaar 2020: inhaalslag 

In september-december 2020 is te zien dat er sprake was van een inhaalslag, want het aantal diagnoses was in 2020 hoger dan de voorgaande drie jaren. Door het hogere aantal diagnoses in het najaar van 2020 is de achterstand ten opzichte van de voorgaande jaren inmiddels bij de meeste soorten kanker grotendeels ingehaald. Dit is onder andere te zien bij prostaatkanker en melanoom. Bij huidkanker en kanker van de vrouwelijke geslachtsorganen startte de inhaalslag al in de zomer. Door de snelle inhaalslag is de vertraging in diagnose voor veel patiënten naar verwachting beperkt gebleven. Van de impact van de vertraging in diagnose op het stadium en de gevolgen hiervan op de noodzakelijke behandeling, klachten hierna en de overleving is nu nog geen inschatting te geven en hierover zal later worden gerapporteerd. 

Daling aantal diagnoses verschilt per soort kanker

Op dit moment is er bij borst- en darmkanker nog een achterstand in aantal diagnoses ten opzichte van voorgaande jaren als gevolg van het tijdelijk stopzetten van de bevolkingsonderzoeken (zie toelichting hieronder). In het voorjaar van 2020 was ook de daling in het aantal diagnoses prostaatkanker groot en in de zomer van 2020 bleef het aantal diagnoses ongeveer 15% lager dan verwacht. Mogelijk werd dit verklaard door uitgesteld bezoek aan de huisarts van mannen zonder of met milde symptomen/klachten. Via ‘opportunistische’ screening met een PSA-test worden veel gevallen van prostaatkanker opgespoord. Omdat via deze test ook veel langzaam groeiende tumoren worden gevonden, waarbij vaak een 'actief volgbeleid' wordt geadviseerd, wordt aangenomen dat de gezondheidsschade van een uitgestelde diagnose bij deze groep mannen (met laag risico prostaatkanker) beperkt zal zijn. Door de inhaalslag bij prostaatkanker in het najaar van 2020 is de achterstand in het aantal diagnoses kanker van de mannelijke geslachtsorganen deels verdwenen.

Het aantal diagnoses van leverkanker, galweg- en alvleesklierkanker was in 2020 iets lager dan in de voorgaande jaren. Naast covid-19 kan dit te maken hebben met het feit dat veel patiënten met deze aandoeningen zich presenteren met uitzaaiingen waarvan pas bij nader onderzoek bekend wordt dat die worden veroorzaakt door kanker van de lever, galwegen of alvleesklier. Deze nadere informatie wordt later toegevoegd aan de Nederlandse Kankerregistratie. Over de eerste maanden van 2021 was het aantal diagnoses ook bij deze tumorsoorten weer vergelijkbaar met eerdere jaren (zie onderstaande staafdiagram).

Bij veel tumoren lijkt in de afgelopen maanden een inhaalslag in aantal diagnoses te zien. Onderstaand ziet u de grafiek van het aantal diagnoses melanoom, ook daarin lijkt een inhaalslag te zien, het aantal diagnoses is duidelijk hoger dan voorgaande jaren.

Bevolkingsonderzoeken

De bevolkingsonderzoeken zijn voorjaar 2020 ongeveer drie maand stopgezet.

Bij het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker worden met name voorstadia gevonden en daarom is van de onderbreking op korte termijn geen effect te verwachten op de incidentie van baarmoederhalskanker.

Bij het bevolkingsonderzoek darmkanker worden vooral voorstadia en T1-tumoren gevonden. De daling van het aantal diagnoses van darmkanker in de screeningspopulatie (55-75 jaar) was in het voorjaar van 2020 duidelijk groter dan in de niet-screeningspopulatie. Medio mei 2020 is het bevolkingsonderzoek darmkanker gefaseerd weer opgestart. Dit heeft ertoe geleid dat het aantal diagnoses in de screeningspopulatie weer toegenomen is. Als gevolg van de invoering van het bevolkingsonderzoek darmkanker in 2014 was er de afgelopen jaren een daling in aantal nieuwe patiënten met darmkanker. Deze dalende trend en de covid-19-crisis spelen daarom beide een rol in het lagere aantal diagnoses darmkanker in 2020 ten opzichte van voorgaande jaren.

Bij borstkanker was er het afgelopen voorjaar na huidkanker de grootste daling van alle tumoren. Deze daling is het sterkst bij vrouwen van 50-74 jaar, de leeftijdsgroep die voor het bevolkingsonderzoek wordt uitgenodigd.

Stadiumverdeling: daling in laag stadium

Gegevens over het stadium bij diagnose zijn inmiddels beschikbaar voor diverse kankersoorten. De bevindingen zijn vergelijkbaar voor de verschillende kankersoorten, namelijk dat de daling groter is bij lage stadia dan bij hoge stadia en dat er over de beschikbare periodes vooralsnog geen verschuiving van lage naar hoge stadia zichtbaar is.

Voor borstkanker is de stadiuminformatie voor heel 2020 beschikbaar. Deze data laten zien dat vooral de incidentie van borstkanker met de laagste stadia (ductaal carcinoma in situ-DCIS, stadium I & II) is gedaald. De incidentie van borstkanker met een hoger stadium (stadium III en IV) is zoals verwacht laag. Deze daling was conform de verwachting aangezien bij het bevolkingsonderzoek vooral kleine tumoren zonder klachten worden ontdekt. Slechts een paar procent van de daling van de incidentie was nog toe te schrijven aan hogere stadia. In december 2020 liggen de percentages voor stadium I, II en IV boven het niveau van voor de COVID-19 pandemie. Dit past bij het beeld dat er in die periode in totaal meer diagnoses zijn gesteld. Lees meer over diagnoses borstkanker en het stadium van diagnose

Het absolute aantal darmkankerdiagnoses nam tijdens de eerste fase van de coronacrisis bij alle stadia af. De daling is echter het grootst bij patiënten met een stadium I-tumor. Dat blijkt uit een eerste analyse van de darmkankercijfers uit 25 ziekenhuizen die samen ongeveer een derde van de landelijke populatie omvatten. In deze ziekenhuizen is onderzocht wat het stadium van de darmkanker was bij diagnose.

In de periode maart tot en met augustus 2020 is het aantal diagnoses darmkanker in deze ziekenhuizen met 23% gedaald ten opzichte van een half jaar daarvoor. Deze daling is het grootst bij stadium I, namelijk 42%. Dit is ten gevolge van de tijdelijke stopzetting van het bevolkingsonderzoek, omdat dat het stadium is dat het meest bij het bevolkingsonderzoek darmkanker wordt gevonden. De stadia II, III en IV zijn respectievelijk gedaald met 15%, 27% en 16%. Lees meer over diagnoses darmkanker tijdens de coronapandemie. 

Behandelingen

In verband met de covid-19-uitbraak zijn door de wetenschappelijke verenigingen behandelprotocollen voor kankerpatiënten aangepast, zowel om de risico’s op covid-19-besmetting voor patiënten zo laag mogelijk te houden als om de meest noodzakelijke zorg te prioriteren. In lijn met het gedaalde aantal diagnoses is het aantal operatieve ingrepen bij kanker in het voorjaar gedaald, dat blijkt uit gegevens die DHD en IKNL samenbrachten. Vanaf week 12 (eind maart) waren er de helft minder operatieve verrichtingen vergeleken met het gemiddelde van week 2 t/m 11. De daling in het aantal kankergerelateerde operaties was dus groter dan de daling van het aantal diagnoses, blijkbaar doordat operatieve ingrepen werden uitgesteld. Ook de gewijzigde behandelprotocollen spelen hier bij veel tumoren waarschijnlijk een rol. Mogelijk is vaker eerst een andere therapievorm ingezet, zoals hormoontherapie. Vanaf medio mei (week 20) is het aantal kankergerelateerde operatieve ingrepen weer gestegen en waren deze tot en met het najaar relatief stabiel.

De toepassing van hormoontherapie en immunotherapie is voor het totaal van alle patiënten met kanker in het voorjaar 2020 licht gedaald. Het aantal behandelingen met chemotherapie is nauwelijks veranderd en laat een vrijwel stabiel beeld door het jaar zien. Het kan zijn dat op basis van de aangepaste protocollen de dosering of het aantal giften/fracties of kuren van chemotherapie, immunotherapie, hormoontherapie en radiotherapie anders is geweest dan in de periode voor de coronacrisis.

Voor een aantal tumorsoorten is de impact van de covid-19-uitbraak op behandelingen beschreven:

Lees ook de update over behandelingen van DHD en IKNL.

Voorlopige cijfers

Om het totale aantal diagnoses te kunnen vergelijken met de voorgaande jaren zijn alleen pathologisch bevestigde eerste invasieve tumoren meegenomen. De informatie over de diagnose is grotendeels gebaseerd op uitslagen van de pathologielaboratoria die zijn verkregen m.b.v. het Pathologisch-Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief  (PALGA). Bij een vermoeden op kanker wordt vaak een biopt of een cytologische punctie genomen op basis waarvan de patholoog beoordeelt of er sprake is van kanker. Bij een deel van de kankerpatiënten wordt de diagnose pas gesteld als na een operatieve ingreep tumorweefsel opnieuw door de patholoog wordt beoordeeld. Hierdoor kunnen de diagnoses van de meest recente periode later nog worden bijgesteld. Van één ziekenhuis kunnen geen voorlopige cijfers worden verkregen en daarom is dit ziekenhuis geheel uit de vergelijking weggelaten.

Bij 5-10% van de patiënten wordt geen biopt, punctie of operatie gedaan. Deze zogeheten ‘klinische diagnoses’ worden pas later door de ziekenhuizen via DHD aan de Nederlandse Kankerregistratie aangeleverd en daarom zijn deze voor alle onderzochte jaren niet meegenomen in de berekeningen.

Monitoring effecten van latere diagnose

Het is nog niet te zeggen of door de vertraging in diagnostiek kanker vaker in latere stadia wordt gediagnosticeerd. Bij een diagnose in een later stadium van kanker kan een zwaardere behandeling nodig zijn en kan de kans op overleving verminderd zijn. Of de gewijzigde behandelprotocollen, die zijn opgesteld door de beroepsgroepen tijdens de eerste golf, gevolgen hebben voor de uitkomsten is evenmin duidelijk. De gevolgen van de COVID-19-epidemie op het aantal kankerdiagnoses, behandelpatronen en uiteindelijk ook de uitkomsten zal IKNL blijven monitoren, in samenwerking met het PALGA en DHD, in nauwe afstemming met de partners van de landelijke Taskforce Oncologie en de Nederlandse Zorgautoriteit.

Met projectfinanciering van Zonmw worden de effecten op het hele zorgpad voor kanker onderzocht om te komen tot concrete aanbevelingen bij het (re)organiseren van zorg in het project Covid Cancer Care NL

categorie: COVID-19
Gerelateerd

Vaccinatie tegen coronavirus werkt goed tijdens behandeling van solide tumoren

De meeste patiënten met een tumor in een orgaan of weefsel waarvoor ze een behandeling krijgen met immuuntherapie en/of chemotherapie, hebben een goede respons op het coronavaccin. Een onderzoek hiernaar, uitgevoerd door UMC Groningen, Erasmus MC in Rotterdam en Antoni van Leeuwenhoek in Amsterdam, in samenwerking met het RIVM en het Integraal Kankercentrum Nederland, laat zien dat vaccinatie van deze patiënten veilig en meestal effectief is. De resultaten van dit onderzoek zijn op 20 september gepresenteerd op het congres van de European Society of Medical Oncology en worden gepubliceerd in het medische tijdschrift The Lancet Oncology. 

lees verder

COVID-19-maatregelen geen significante impact op welzijn van nabestaanden

Mondmasker en handschoenen op begraafplaats

Uit recent onderzoek in Palliative Medicine blijkt dat de COVID-19-pandemie tot op heden geen significante impact heeft op de kwaliteit van leven van nabestaanden van patiënten met gevorderde kanker. IKNL-onderzoeker Laurien Ham en haar team vergeleken hiervoor kwaliteit van leven-data van nabestaanden van vóór de pandemie met data tijdens de pandemie. Het team benadrukt dat ondersteuning van nabestaanden wel noodzakelijk blijft en dat vervolgonderzoek naar langetermijngevolgen nodig is.

lees verder