decoratieve afbeelding: voorkant proefschrift Ingrid Franken tegen blauwe achtergrond

Real-world data en biomarkers geven richting voor gepersonaliseerde darmkankerzorg

Hoe kunnen we de zorg voor patiënten met niet-uitgezaaide darmkanker meer personaliseren? Dit onderzocht Ingrid Franken (UMC Utrecht) met real-world data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) en biomarkeronderzoek op basis van PLCRC. De resultaten uit haar onderzoek helpen beter te voorspellen welke patiënten met stadium II/III dikkedarm- of endeldarmkanker baat hebben bij aanvullende chemotherapie; welke patiënten overbehandeling bespaard kan worden; en voor welke patiënten de behandeling juist ontoereikend is.

Het nut van aanvullende chemotherapie bij stadium II en III

De behandeling bij stadium III en hoog-risico stadium II (met werkende mismatch-repair-eiwitten) darmkanker bestaat uit het operatief verwijderen van de primaire tumor, gevolgd door aanvullende (adjuvante) chemotherapie. Sinds 2004 is de standaard aanvullende chemotherapie CAPOX. Maar slechts bij 20% van de patiënten voorkomt aanvullende chemotherapie terugkeer van de ziekte (recidief). De helft van de patiënten is al genezen door de operatie en heeft geen aanvullende behandeling nodig. Nog eens 30% krijgt toch een recidief, ondanks de aanvullende behandeling. De meeste patiënten met darmkanker in stadium III of hoog-risico stadium II wordt dus overbehandeld en nog een significant deel wordt juist ontoereikend behandeld.

Real-world data helpen richtlijn evalueren

In het eerste deel van haar proefschrift gebruikte Franken data uit de NKR om het effect te evalueren van de richtlijnwijziging waarin de duur van de adjuvante behandeling met CAPOX verkort werd van 6 naar 3 maanden. Haar resultaten bevestigden dat er een vergelijkbare 5-jaarsoverleving was voor en na de richtlijnwijziging (zo rond de 80%), gecorrigeerd voor o.a. leeftijd en mismatch-repair-status (MMR-status)*. Ook bleek uit de vragenlijsten verzameld binnen PLCRC dat patiënten minder bijwerkingen en langetermijngevolgen ervaarden.

*De mismatch-repair-status zegt of een patiënt werkende (ofwel proficiënte) of niet-werkende (ofwel deficiënte) mismatch-repair-eiwitten heeft.

Subgroepen patiënten karakteriseren

Daarnaast bracht Franken aan de hand van NKR-data behandelpatronen en -uitkomsten in kaart voor een aantal subgroepen van darmkankerpatiënten. Ze vergeleek in een cohort van patiënten met stadium II/III endeldarmkanker met deficiënte MMR-status (dMMR) met patiënten met proficiënte MMR-status (pMMR). Daaruit blijkt dat patiënten met dMMR-endeldarmkanker o.a. jonger zijn, een hoger klinisch ziektestadium hebben, maar ook een betere overleving en vaker een complete respons op neo-adjuvante behandeling hebben, vergeleken met patiënten met pMMR-endeldarmkanker. Deze real-world resultaten geven inzicht in hoe bepaalde subtypes van tumoren reageren op standaardzorg, wat aanwijzingen geeft voor verdere personalisatie met bijvoorbeeld immuuntherapie.

Biomarkers voor stratificatie risico recidief

Franken onderzocht in het tweede deel van haar proefschrift aan de hand van materiaal verzameld binnen PLCRC welke biomarkers van prognostische waarde zijn voor een recidief en dus welke biomarkers helpen bij het bepalen van of een patiënt met stadium II/III wel, niet of meer dan aanvullende behandeling met CAPOX zou moeten krijgen. Daaruit bleek dat:

  • de aanwezigheid van tumor-DNA na de operatie een sterke voorspeller is voor terugkeer van ziekte en dus voor de noodzaak van aanvullende behandeling;
  • tumor-stroma-ratio samenhangt met het risico op recidief – hoog stroma met hogere kans op recidief, laag stroma met lagere kans op recidief;
  • er verschillende genetische biomarkers zijn (zowel in RNA als DNA) die van prognostische of predictieve waarde zijn in verschillende subgroepen;
  • en dat tumororganoïden van patiënten bij wie de ziekte na aanvullende behandeling met CAPOX is teruggekeerd minder gevoelig zijn voor CAPOX en een kenmerkende genexpressie hebben die mogelijk aangrijpingspunten biedt voor nieuwe medicijnen.

Aanknopingspunten voor (de-)escalatieonderzoek met rol voor real-world data

Met haar onderzoek laat Franken zien dat een combinatie van klinische kenmerken en biomarkers helpen beter onderscheid te maken tussen patiënten met hoog risico en laag risico op terugkeer van ziekte en geeft ze richting aan vervolgstudies naar (de-)escalatie van behandeling. Real-world data zijn daarbij belangrijk om te laten zien of de winst van chemotherapie opweegt in de dagelijkse praktijk tegen de bijwerkingen en helpen om gerichter te kiezen voor de-escalatie of juist intensivering van behandeling.

Meer informatie

Ingrid Franken promoveerde 2 februari aan de Universiteit Utrecht. (Co)promotoren waren prof. dr. Miriam Koopman, dr. Jeanine Roodhart en dr. Remond Fijneman. Bekijk het volledige proefschrift:

Gerelateerd nieuws

Nieuwe inzichten in chirurgische zorg bij darmkanker: focus op risicobeoordeling en praktijkvariatie

voorkant proefschrift Lindsey de Nes tegen blauwe achtergrond De chirurgische behandeling van darmkanker is in Nederland sterk verbeterd, maar er zijn kansen om de kwaliteit van zorg verder te verhogen. Dat laat Lindsey de Nes (Maasziekenhuis Pantein) zien op basis van landelijke data, o.a. de Dutch ColoRectal Audit (DCRA), de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) en aanvullende cohortstudies. Zo blijkt dat betere risicobeoordeling, maatwerk bij oudere patiënten en meer uniforme behandelstrategieën de chirurgische zorg bij darmkanker verder kunnen verbeteren. lees verder

Realworld-inzichten in behandeling en overleving van uitgezaaide darmkanker

figuratieve interpretatie van realworlddata over darmkanker in blauwtinten Nieuw onderzoek op basis van data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) laat zien dat uitkomsten bij uitgezaaide darmkanker in de dagelijkse praktijk aanzienlijk verschillen van wat uit klinische studies bekend is. Zo is de overleving van patiënten in de dagelijkse praktijk die behandeld zijn met systemische therapie veel lager in vergelijking met data uit klinische trials. Daarnaast blijken er verschillen te zijn in de behandeling van patiënten met synchrone versus metachrone uitzaaiingen. Deze realworld-inzichten bieden waardevolle input voor zorgverleners om patiënten beter te informeren over hun mogelijkheden en kansen. lees verder