Borstreconstructie

Sociaal economische status beïnvloedt kans op krijgen directe borstreconstructie

Vrouwen met stadium I en II borstkanker en een hogere sociaaleconomische status (SES) hebben in Nederland meer kans op het krijgen van een directe borstreconstructie na een borstamputatie (mastectomie). Dat blijkt uit onderzoek van Mando Filipe (UMCU) in samenwerking met collega’s van Erasmus MC en Universiteit Twente uitgevoerd met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Extra onderzoek moet aantonen of leefstijlfactoren, taalbarrières, gezondheidsvaardigheden en informatievoorziening hierbij een rol spelen. 
 

In eerdere buitenlandse studies is aangetoond dat patiënten met borstkanker met een lage sociaaleconomische status minder vaak een borstreconstructie krijgen direct volgend op een borstoperatie. Deze studies werden echter uitgevoerd in landen met ongelijke toegang tot zorg. Daarom is in deze studie onderzocht of de sociaaleconomische status ook invloed heeft op de kans op het krijgen van een directe borstreconstructie in een land met gelijke toegang tot zorg voor alle patiënten.

Kans op directe borstreconstructie 

De onderzoekers selecteerden voor dit onderzoek alle patiënten met stadium I en II borstkanker die tussen 2011 en 2018 zijn gediagnosticeerd en een borstamputatie kregen. De gebruikte gegevens waren afkomstig uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De sociaaleconomische status werd berekend op basis van het gemiddelde inkomen per postcodegebied, verdeeld naar tientallen per postcode. De primaire uitkomstmaat was het effect van de sociaaleconomische status op de kans op het krijgen van een directe borstreconstructie, gecorrigeerd voor patiënt-, tumor- en ziekenhuiskenmerken uitgedrukt in een odds ratio met een betrouwbaarheidsinterval van 95%.

Impact diverse factoren

Uit de analyses blijkt dat een hogere sociaal economische status de kans verhoogde op het krijgen van een directe borstreconstructie na een borstamputatie (odds ratio 1,05). Dat gold eveneens voor een hoger volume van borstkankerbehandelingen (gemiddelde odds ratio 1,89; hoog ziekenhuisvolume 2,58), oestrogeenpositieve tumoren (odds ratio 1,19) en neoadjuvante therapie (odds ratio 1,42). In tegenstelling met deze uitkomsten was de kans op het krijgen van een directe borstreconstructie significant kleiner bij patiënten met een hogere leeftijd (odds ratio 0,6 per jaar), stadium II borstkanker (odds ratio 0,6 vergeleken met stadium I en bij patiënten met adjuvante therapie (odds ratio 0,5).

Conclusie 

Mando Filipe en collega’s concluderen dat vrouwen met een hogere sociaaleconomische status die een borstamputatie kregen meer kans hadden op het krijgen van een directe borstreconstructie vergeleken met vrouwen met een lagere sociaaleconomische status. Deze uitkomsten bevestigen de resultaten van eerdere (buitenlandse) studies, waaruit blijkt dat de sociaaleconomische status van patiënten invloed heeft op het krijgen van een directe borstreconstructie na een borstamputatie. Hierbij wordt aangetekend dat, in tegenstelling tot veel andere landen, medische behandelingen zoals een directe borstreconstructie in Nederland worden vergoed door de zorgverzekering; dus ook voor patiënten met een lagere sociaaleconomische status. 

Verklaringen en mogelijke oorzaken

De gevonden verschillen kunnen volgens de onderzoekers mogelijk zijn veroorzaakt door ongezonde leefstijlfactoren zoals roken en/of ongezonde eetgewoontes (hogere body mass index; BMI), waardoor een aanvullende chirurgische behandeling in de praktijk niet haalbaar is zonder risico op extra complicaties. Ook taalbarrières, analfabetisme, gezondheidsvaardigheden, informatievoorziening in de spreekkamer en minder toegang tot (betrouwbare informatie) op internet kan een verklaring zijn voor de gevonden verschillen.  

Aanvullend onderzoek is nodig om na te gaan of leefstijlfactoren en andere factoren daadwerkelijk een rol spelen bij de kans op het krijgen van een directe borstreconstructie na een borstamputatie. Omdat over deze factoren geen gegevens worden opgeslagen in de NKR, vergt het verzamelen van deze informatie extra inspanning, tijd en budget. Een interessante vraag die daarbij volgens de onderzoekers aan de orde dient te komen is of er verschillen zijn in de informatievoorziening over directe borstreconstructies tussen ziekenhuizen en/of regio’s in Nederland en of de sociaal economische status of onderliggende andere factoren van patiënten hierbij een rol speelt. Dit geldt eveneens voor bespreking van patiënten in een multidisciplinair overleg. Met de uitkomsten van dit onderzoek kunnen aanknopingspunten worden geïdentificeerd om eventueel ongewenste ongelijkheid in behandelingen te voorkomen. 

Gerelateerd

Borstkanker in Nederland 1989-2017: hogere incidentie; betere overleving

vrouw met hond in park

Tussen 1989 en 2017 is de incidentie van eerste, primaire borstkanker in Nederland aanzienlijk gestegen, hoewel in recente jaren een veelbelovende daling is te zien. De overleving van patiënten verbeterde aanzienlijk voor de meeste vormen van borstkanker door minder intensieve chirurgie en toegenomen gebruik van systemische therapieën en/of combinaties met andere behandelingen. Overeenkomstig daalde de sterfte substantieel, ongeacht de leeftijd van deze vrouwen. Dat blijkt uit onderzoek van Daniël van der Meer (NKI) en collega’s met data uit de NKR.

lees verder

Proefschrift Linda de Munck: Minder gevorderde borstkankers door bevolkingsonderzoek

Bevolkingsonderzoek borstkanker draagt bij aan vroegere diagnostiek

Vrouwen die deelnemen aan het bevolkingsonderzoek hebben significant minder vaak een hoog stadium borstkanker bij diagnose dan vrouwen die niet of onregelmatig deelnemen aan de screening. Dat is een van de conclusies uit het proefschrift ‘Breast cancer: screening stage and outcome’ dat Linda de Munck op 30 november verdedigt. Naast het effect van het bevolkingsonderzoek gaat De Munck in op borstkankerchirurgie en nacontrole. 
 

lees verder