Overleving

Overleving wordt vaak weergegeven als de relatieve overleving wat een benadering is voor de kankerspecifieke overleving. Dit houdt in dat de overleving van de patiënten met kanker is gecorrigeerd voor de verwachte sterfte die is gebaseerd op de Nederlandse bevolking vergelijkbaar op basis van geslacht, leeftijd en kalenderjaar. Omdat de overleving sterk kan verschillen per leeftijdsgroep zijn de overlevingscijfers bovendien gestandaardiseerd.

De relatieve 10-jaarsoverleving van patiënten met gelokaliseerd prostaatkanker (zonder metastasen op afstand) is meer dan 90%. De overleving van patiënten met afstandsmetastasen bij diagnose is aanzienlijk lager; ongeveer 25%. In de loop van de tijd is een verbetering zichtbaar in overleving van alle stadia van ziekte (TNM editie 8: stadium I = cT1-2a, cN0/X, cM0/X, stadium II = cT2b/c, cN0/X, cM0/X, stadium III = T3-4, cN0/X, cM0/X en stadium IV = cN+ of cM+. 

Klik voor vergroting

Ouderen

De relatieve overleving van oudere patiënten met prostaatkanker (75 jaar of ouder) is lager dan die van jongere patiënten. Uit de rapportage 'Kankerzorg In Beeld; de oudere patiënt' blijkt dat de 10-jaarsoverleving bij patiënten van 75+ 70% is versus bijna 90% van de jongere patiënten. Dit komt deels doordat de oudere patiënten vaker gediagnosticeerd worden met een hoger ziektestadium en minder gunstige Gleason-graad. Maar ook wanneer hier rekening mee wordt gehouden, blijft de overleving van oudere patiënten minder goed.

De redenen hiervoor zijn niet helemaal duidelijk. Het kan veroorzaakt worden door bijkomende ziekten, die vaker voorkomen bij oudere patiënten, maar ook door verschillen in behandeling; oudere patiënten ondergaan bijvoorbeeld minder vaak een prostatectomie. Desondanks is de overleving ook bij deze groep patiënten in de loop van de tijd verbeterd. 

Daarnaast is het niet duidelijk of behandelingen die in de richtlijnen worden geadviseerd in dezelfde mate effectief zijn bij oudere patiënten. Deze oudere patiënten worden namelijk vaak uitgesloten van deelname aan klinische studies, waardoor het bewijs voor de werkzaamheid van de therapie uitsluitend voor jongere leeftijdsgroepen is aangetoond.