Prostaatkanker in Nederland
Een overzicht op basis van de Nederlandse Kankerregistratie (1989 tot en met 2024)Elk jaar krijgen in Nederland tussen de 13.000 en 16.000 mannen voor het eerst de diagnose prostaatkanker. Hiermee is prostaatkanker de meest voorkomende kankersoort bij mannen. Bij een groot deel van de patiënten is de kanker bij diagnose beperkt tot de prostaat. Maar, bij 1 op de 5 patiënten zijn er bij diagnose al uitzaaiingen naar lymfeklieren op afstand, botten en/of andere organen. Hieronder staan aanvullende cijfers uit de Nederlandse Kankerregistratie.
Over prostaatkanker:
Leeftijd
Met het toenemen van de leeftijd neemt het risico op prostaatkanker toe. Vanaf ongeveer 45 jaar kan de diagnose worden gesteld, maar dit komt weinig voor. Minder dan 10% van de patiënten is jonger dan 60 jaar en een diagnose vóór het 50e levensjaar is zeldzaam. Het merendeel van de patiënten is bij diagnose tussen de 60 en 80 jaar. De gemiddelde leeftijd bij diagnose bedraagt ongeveer 70 jaar.
Erfelijke factoren
Etnische en genetische factoren spelen een rol bij het ontstaan van prostaatkanker. Zo komt prostaatkanker vaker voor bij mannen met een Afrikaanse herkomst en minder vaak bij mannen van Aziatische afkomst. Daarnaast bestaan er families waarin prostaatkanker relatief vaak (tenminste drie naaste familieleden) voorkomt en/of op jonge leeftijd wordt vastgesteld (jonger dan 55 jaar). In die gevallen kan sprake zijn van een erfelijke aanleg. Dit betekent dat iemand een verhoogd risico op kanker heeft door een genetische mutatie, oftewel een verandering in een gen. Mutaties in onder andere het BRCA2-gen en het HOXB13-gen gaan gepaard met een verhoogd risico op prostaatkanker. Bij mensen met een erfelijke aanleg verloopt prostaatkanker vaak agressiever. Ook kan het risico op andere vormen van kanker verhoogd zijn. Bij de meeste patiënten met prostaatkanker is geen erfelijke aanleg aanwezig. Leefstijl- en omgevingsfactoren spelen waarschijnlijk eveneens een rol, maar over de wisselwerking tussen erfelijke en omgevingsfactoren is nog veel onbekend.
De invloed van testosteron
In de jaren veertig van de vorige eeuw werd ontdekt dat onderdrukking van testosteron leidt tot afname of remming van prostaatkanker. Deze ontdekking vormde de basis voor de huidige hormoontherapie. Sindsdien is veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen testosteron en prostaatkanker. De werkzaamheid van hormoontherapie is bevestigd, maar het exacte mechanisme waarmee testosteron de ontwikkeling van prostaatkanker beïnvloedt, is nog niet opgehelderd.
Anatomie van de prostaat

Het stellen van de diagnose
De diagnose prostaatkanker wordt meestal gesteld op basis van verschillende onderzoeken.
- PSA (prostaat-specifiek antigeen) is een eiwit dat door de prostaat wordt geproduceerd en in het bloed kan worden gemeten. Een verhoogde PSA‑waarde kan wijzen op prostaatkanker.
- Bij rectaal onderzoek (rectaal toucher) kan de prostaat worden bevoeld; afwijkingen zoals verhardingen zijn verdacht.
- Meestal volgt een MRI‑scan van de prostaat. Hierbij wordt gekeken naar verdachte afwijkingen die duiden op prostaatkanker.
- De diagnose wordt definitief gesteld met een biopt, waarbij met dunne naalden stukjes prostaatweefsel worden afgenomen en microscopisch onderzocht. Afwijkingen die op de MRI zichtbaar zijn, kunnen daarbij gericht worden aangeprikt.
- Voor het opsporen van uitzaaiingen wordt doorgaans een PSMA PET/CT‑scan uitgevoerd, waarbij PSMA‑gerichte tracers worden gebruikt die uitzaaiingen al bij lage PSA‑waarden kunnen aantonen. Met deze techniek worden uitzaaiingen in een vroeger stadium opgespoord in vergelijking met de eerder veelal gebruikte CT-scan of botscan.
Stadiumverdeling
Op basis van de genoemde onderzoeken wordt het TNM-stadium bepaald. Het TNM‑stadium beschrijft de uitbreiding van de tumor (T), de aanwezigheid van uitzaaiingen in regionale lymfeklieren (N) en de aanwezigheid van uitzaaiingen op afstand (M).
- T1: Bij 46% van de patiënten is de tumor beperkt tot de prostaat en niet voelbaar bij rectaal onderzoek. In veel gevallen is de tumor wel zichtbaar met beeldvormend onderzoek.
- T2: Bij 32% van de patiënten is de tumor beperkt tot de prostaat en wel voelbaar bij rectaal onderzoek. Bij ongeveer 66% van de patiënten bij wie beeldvorming is verricht, wordt een tot de prostaat beperkte tumor gezien.
- T3: Bij 16% van de patiënten groeit de tumor door het kapsel van de prostaat heen en mogelijk ook in de zaadblaasjes. Op basis van beeldvorming bestaat bij ongeveer 26% van de patiënten een verdenking op groei buiten het kapsel en/of in de zaadblaasjes.
- T4: Bij 3% van de patiënten is de tumor doorgegroeid in andere organen. Beeldvormend onderzoek geeft bij ongeveer 2% van de patiënten een verdenking op ingroei in andere organen.
Lokaal beperkt prostaatkanker wordt daarnaast ingedeeld in risicogroepen op basis van de PSA‑waarde en de Gleason‑score; deze score geeft de agressiviteit van de tumor weer.
Behandeling
Behandeling per stadium en risicogroep
Het ziektestadium en de risicogroep bepalen in belangrijke mate welke behandelingen mogelijk zijn. Daarnaast spelen de conditie van de patiënt, eventuele andere aandoeningen en de voorkeur van de patiënt een belangrijke rol bij de behandelkeuze.
- Patiënten met lokaal beperkte prostaatkanker worden meestal behandeld met chirurgie (verwijdering van de prostaat, een radicale prostatectomie) of met bestraling (radiotherapie). Ongeveer de helft van de patiënten met lokaal beperkte prostaatkanker die radiotherapie krijgt, ontvangt daarnaast hormoontherapie. Dit hangt af van tumorkenmerken, zoals de Gleason-score. Actief volgen is eveneens een behandeloptie, met name bij laagrisico prostaatkanker. In dat geval wordt een actieve behandeling pas gestart wanneer er aanwijzingen zijn dat de tumor is gegroeid of agressiever is geworden.
- Ruim de helft van de patiënten met lokaal uitgebreide prostaatkanker (T3-T4 en/of N1) wordt behandeld met radiotherapie, meestal in combinatie met hormoontherapie. Andere veel toegepaste behandelingen in deze groep zijn chirurgie en hormoontherapie.
- Bij uitgezaaide prostaatkanker is genezing niet mogelijk. De behandeling richt zich op het remmen van ziekteprogressie en het voorkomen of verminderen van klachten. Tot ongeveer tien jaar geleden was hormoontherapie de enige behandeloptie. Tegenwoordig wordt deze behandeling vaak gecombineerd met nieuwere hormonale middelen (androgeenreceptorsignaalremmers, ARSI), chemotherapie en/of radiotherapie.
Behandeling bij oudere patiënten
Oudere patiënten krijgen minder vaak een behandeling die gericht is op genezing, zoals een operatie of radiotherapie. Dit hangt deels samen met een ongunstiger ziektebeeld en de aanwezigheid van andere gezondheidsproblemen. Ook na correctie hiervoor blijft de kans op een dergelijke behandeling kleiner dan bij jongere patiënten.
Kwaliteit van leven na behandeling
Na behandeling van prostaatkanker kunnen mannen langdurige klachten ervaren, zoals vermoeidheid, seksuele problemen en beperkingen in het dagelijks leven. Hieronder staan inzichten in de kwaliteit van leven na prostaatkanker. Mannen met uitgezaaide prostaatkanker hebben vaker klachten en een lagere kwaliteit van leven dan mannen met gelokaliseerde ziekte.
- Ongeveer 1 op de 5 mannen ervaart vermoeidheid
- 1 op de 6 heeft problemen met dagelijkse activiteiten
- Bijna 1 op de 10 heeft sociale of cognitieve klachten
Deze klachten komen minder vaak voor bij mannen zonder kanker.
Seksuele problemen komen vaak voor:
- 1 op de 3 mannen heeft minder zin in seks
- 6 op de 10 mannen ervaart erectieproblemen
Deze problemen komen duidelijk vaker voor dan bij mannen zonder kanker.
Klachten zijn het meest aanwezig in de eerste twee jaar na diagnose, maar kunnen ook langdurig aanhouden:
- Meer dan 20% heeft na 4-6 jaar nog vermoeidheid of minder zin in seks
- Meer dan de helft ervaart erectieproblemen
Het type behandeling beïnvloedt de klachten. Radiotherapie in combinatie met hormonale therapie hangt vaker samen met vermoeidheid en minder zin in seks. Erectieproblemen komen vaker voor na een operatie.
Data uit PROFIEL
De gegevens over de gevolgen van prostaatkanker zijn afkomstig uit de PROFIEL‑database (ProZIB‑studie). Deze gegevens zijn gebaseerd op vragenlijsten van mannen met en na prostaatkanker. Ter vergelijking is een groep mannen zonder kanker meegenomen, met een gemiddelde leeftijd van 70 jaar.
Overleving
Als maat voor ziekte-specifieke overleving wordt de relatieve overleving gebruikt. Dit is het percentage patiënten dat na een bepaalde periode nog in leven is, gecorrigeerd voor de verwachte sterfte op basis van de Nederlandse bevolking, waarbij rekening is gehouden met geslacht, leeftijd en kalenderjaar.
Sinds 1989 is de overleving van patiënten met prostaatkanker verbeterd. Dit is deels het gevolg van effectievere behandelingen. Daarnaast speelt vroegere opsporing, door toegenomen aandacht voor prostaatkanker en PSA‑screening, een belangrijke rol.
figuur: Relatieve overleving 1989-2022:
Overleving naar stadium en risicogroep
De overleving verschilt per ziektestadium en risicogroep. Ruim 90% van de patiënten met lokaal beperkt prostaatkanker is drie jaar na diagnose nog in leven. Na correctie voor de verwachte sterfte ligt dit percentage boven de 100%. Van de patiënten met uitgezaaide prostaatkanker is ongeveer 60% drie jaar na diagnose nog in leven; na correctie voor de verwachte sterfte is dit bijna 70%. Binnen de groep patiënten met uitgezaaide ziekte bestaan echter grote verschillen.
De overleving van patiënten met uitsluitend niet‑regionale lymfekliermetastasen is relatief gunstig, met een mediane overleving van meer dan 55 maanden. Bij botmetastasen bedraagt de mediane overleving 35-40 maanden. Bij viscerale metastasen, zoals uitzaaiingen in de longen of lever, is de mediane overleving iets meer dan 20 maanden.
Veranderingen in (de verdeling van) het ziektestadium, samenhangend met de introductie van prostaat-MRI en PSMA PET/CT, kunnen van invloed zijn op de overleving per ziektestadium en risicogroep.
figuur: Relatieve 5-jaarsoverleving* per stadium en risicogroep** (2021-2022):
* Door correctie voor de verwachte sterfte kan de relatieve overleving hoger dan 100% uitkomen.
** Leeftijdsstandaardisatie is toegepast.
*** Risicogroep bepaald op basis van het klinisch T‑stadium.
Vroege opsporing door PSA-test
Door PSA‑testen neemt de kans op overdiagnose en overbehandeling toe. Dit betekent dat mannen worden behandeld voor prostaatkanker, met risico op complicaties, terwijl de ziekte gedurende het leven geen klachten zou hebben veroorzaakt. Om dit nadelige effect te beperken, wordt bij laag‑ en soms matig‑risico prostaatkanker een beleid van 'actief volgen' (active surveillance) geadviseerd.
Het onderzoek wordt afgeraden bij een levensverwachting van minder dan 10 jaar of wanneer iemand niet fit genoeg is om behandeling te ondergaan, omdat vroege opsporing dan waarschijnlijk geen overlevingsvoordeel biedt.
Het verrichten van een PSA‑test wordt alleen aangeraden bij mannen die goed zijn geïnformeerd over de voor‑ en nadelen.
De prostaatwijzer kan helpen bij het inschatten van de kans op prostaatkanker en bij de beslissing om de PSA‑test wel of niet te laten uitvoeren. Aanvullende informatie is beschikbaar via thuisarts.nl.

Screening
In 2022 publiceerde de Europese Commissie, als onderdeel van het Europees kankerbestrijdingsplan, nieuwe aanbevelingen over kankerscreening. Prostaatkanker is toegevoegd aan de lijst van kankersoorten waarvoor georganiseerde screening wordt aanbevolen. Het is aan de lidstaten om deze aanbevelingen over te nemen en te implementeren. In Nederland bestaat op dit moment geen bevolkingsonderzoek naar prostaatkanker.
Meer informatie
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Berdine Heesterman, senior onderzoeker via b.heesterman@iknl.nl of Katja Aben, senior onderzoeker via k.aben@iknl.nl. Voor vragen over PROFIEL kunt u contact opnemen met Nicole Horevoorts (onderzoeker PROFIEL) via n.horevoorts@iknl.nl.