Rol beeldvorming bij bepalen van tumorstadium prostaatkanker

De eerste vereiste bij de behandeling van prostaatkanker is het classificeren van patiënten in prognostische groepen ter ondersteuning van de besluitvorming over de beschikbare behandelingsopties. Van alle prognostische factoren die de uitkomst bepalen na behandeling van prostaatkanker, is de anatomische omvang van de ziekte een van de belangrijkste, maar zeker niet de enige factor. Eenduidigheid van klinische stadiëring maakt vergelijkingen van patiëntenpopulaties mogelijk en is daarom cruciaal binnen de volksgezondheid en epidemiologie. Dat geldt ook voor klinische trials en de dagelijkse, klinische praktijk.

'Stadium' betekent in feite niets meer dan de anatomische omvang van de ziekte. Een veel voorkomende misvatting is dat het stadium van de tumor hetzelfde is als een prognostische classificatie. Dat is niet het geval. De TNM-stadia (ofwel de anatomische omvang van de ziekte) vormen slechts een belangrijk onderdeel van de prognostische classificatie. Dit wordt erkend in de TNM-classificaties voor prostaatkanker van zowel de Union for International Cancer Control (UICC) als de American Joint Committee on Cancer (AJCC). Om het stadium van de ziekte met niet-anatomische prognostische factoren te combineren, is meer nodig.

De UICC definieert uitsluitend een stadiumgroep en geeft daarbij aan dat niet-anatomische factoren zoals PSA en gradering belangrijke prognostische factoren zijn. De AJCC hanteert een zogenaamde "prognostische groepsclassificatie per stadium’ waarin naast het het ziektestadium ook andere factoren worden meegenomen. In de richtlijnen van de European Association of Urology (EAU) wordt aanbevolen om de TNM-classificatie van de UICC-versie te volgen en een duidelijk onderscheid te maken tussen “ziektestadium” en “prognostische stadiumgroep”.

Beeldvorming & T-categorie

In de publicatie gaan de auteurs dieper in op de rol en bijdrage die beeldvormende technieken kunnen leveren bij het bepalen van de omvang de tumor. Ze stellen vast dat bij patiënten met prostaatkanker het klinische tumorstadium vaak mede wordt bepaald door de uitkomsten van beeldvormende diagnostiek. Hier kleven echter een aantal nadelen aan die mogelijk leiden tot inconsistenties.

Op de eerste plaats bestaat er grote variatie in de beschikbaarheid en kwaliteit van en kennis over beeldvormend onderzoek bij prostaatkanker, met name bij de toepassing van de multiparametrische MRI (mpMRI). Ten tweede leidt het toepassen van moderne beeldvormende technieken, die bijvoorbeeld beter in staat zijn om uitbreiding van ziekte te detecteren, tot zogenaamde stadiummigratie. Een cT3-tumor (uitbreiding van de ziekte buiten de prostaat) op basis van de mpMRI is een andere, palpabele cT3 dan op basis van digitaal, rectaal onderzoek.

Dit leidt ertoe dat radiologisch gestadiëerde patiënten een betere prognose hebben en mogelijk overbehandeld worden in vergelijking met patiënten met een lokaal gevorderde ziekte die klinisch detecteerbaar is. Dat is de reden waarom beeldvorming in de 8e editie van de TNM-classificatie niet langer wordt gebruikt om de T-categorie van het tumorstadium van prostaatkanker te definiëren.

Vervolgens wordt in de publicatie ingegaan op de vraag of de mpMRI (die volgens de meeste recente richtlijn (2019) vroeg in de diagnose wordt aanbevolen) wel opgenomen zou moeten worden in toekomstige TNM-edities voor het bepalen van het tumorstadium. De auteurs concluderen dat dat zou kunnen mits de toepassing van de mpMRI wijdverspreid is en als het ook echt leidt tot betere behandeling.

Conclusie

Henk van de Poel en collega’s concluderen dat beeldvorming niet meegenomen moet worden bij het bepalen van het tumorstadium om tot een eenduidige vergelijkbaarheid van het ziektestadium te komen. Uiteraard is het wel noodzakelijk om de richtlijnen te volgen omtrent het gebruik van beeldvorming. De uitkomsten daarvan dienen echter niet direct doorgezet te worden naar de TNM.