Nieuws
Selecteer een onderwerp in de filter, zoals een kankersoort, een behandelsoort of een onderzoeksdomein.
Selecteer een onderwerp in de filter, zoals een kankersoort, een behandelsoort of een onderzoeksdomein.
Ondanks een toename van het gebruik van chemotherapie bij jongere patiënten (tot 75 jaar) met niet-geopereerde en niet-uitgezaaide alvleesklierkanker (NR-M0), was er tussen 2006 en 2014 nauwelijks verbetering in de algehele overleving van deze patiënten. Uit onderzoek van Lydia van der Geest (IKNL) en collega’s blijkt dat dit onder meer samenhangt met de gevorderde leeftijd van de meeste patiënten (52% was ouder dan 75 jaar). Verder bleef het gebruik van chemotherapie over het algemeen zeldzaam. Toekomstig onderzoek zou daarom gericht moeten zijn op de vraag of een ruimere inzet van chemotherapie kan bijdragen aan verbetering van de overleving van deze groep patiënten met alvleesklier.
lees verderBinnen het EURECCA-consortium bestaat grote variatie bij de inzet van neoadjuvante en adjuvante chemotherapie bij patiënten met stadium I of II pancreasadenocarcinoom. Dat blijkt uit een studie met data (2012-2013) afkomstig van acht nationale en regionale kankerregistraties en een onderzoekscentrum in Milaan. De uitkomsten wijzen volgens de onderzoekers op verschillen bij de implementatie van algemeen geaccepteerde richtlijnen. De bevindingen in deze studie bieden aanknopingspunten voor nader onderzoek naar ‘best practices’. Het consortium onderstreept tevens het belang van een uniforme en complete registratie om internationale vergelijkingen en de ontwikkeling van internationale richtlijnen mogelijk te maken.
lees verderIKNL voert in samenwerking met medisch oncologen en in opdracht van AstraZeneca een onderzoek uit om het gebruik van olaparib in kaart te brengen. De NKR in combinatie met een aanvullende itemlijst geeft inzicht in de population-based toepassing van olaparib in Nederland. Sinds 2015 is olaparib van AstraZeneca geregistreerd als monotherapie voor BRCA-gemuteerd platinumgevoelig recidief van hooggradig sereus epitheliaal ovariumcarcinoom.
lees verderDe inzet van chemotherapie bij patiënten met alvleesklierkanker is tussen 2003 en 2014 toegenomen in Europa en de VS, vooral bij chirurgische behandeling. Doch, het aandeel patiënten dat chemotherapie kreeg was meestal laag en bovendien heterogeen bij zowel chirurgisch als niet-chirurgisch behandelde patiënten in Europa. Dat concluderen Lei Huang (Deutsches Krebsforschungszentrum, Universität Heidelberg) en collega’s in de International Journal of Cancer. Volgens de onderzoekers onderstrepen deze bevindingen de behoefte aan standaardisatie van de behandeling van alvleesklierkanker. Het voordeel van radiotherapie blijft controversieel en vraagt om aanvullend onderzoek.
lees verderUit onderzoek met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) blijkt dat een langer tijdsinterval tussen chirurgie en chemotherapie geassocieerd is met een slechtere overleving voor patiënten met gevorderde eierstokkanker (ovariumcarcinoom). Dit geldt zowel voor patiënten die met neoadjuvante chemotherapie zijn behandeld, als voor patiënten die initieel geopereerd zijn zonder chemotherapie voorafgaand aan de operatie. Het onderzoek is uitgevoerd door Maite Timmermans, arts-onderzoeker bij IKNL en collega’s. Het is het eerste onderzoek naar de wachtperiode tussen debulking en chemotherapie met Nederlandse data van ovariumcarcinoom patiënten.
lees verderOncologisch chirurg dr. Ignace H. De Hingh wordt benoemd tot bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Maastricht. De Hingh is chirurg bij het Catharina Ziekenhuis Eindhoven en medisch adviseur bij Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL). Hij wordt benoemd op de IKNL/MUCM+ leerstoel ’Integrale benadering van patiënten met een gastro-intestinale maligniteit’. Het doel van zijn onderzoek naar uitkomsten van behandelingen is het continu verbeteren van de patiëntenzorg. De Hingh: "Afstemmen van zorg voor kankerpatiënten leidt tot betere overlevingskansen.”
lees verderDe uitkomsten van behandeling met vemurafenib bij patiënten met een BRAF-mutatie en gemetastaseerd melanoom én een gunstig risicoprofiel, zijn vergelijkbaar met de resultaten gebaseerd op klinische trials. Dat concluderen Maartje Schouwenburg (LUMC) en collega’s. De onderzoekers benadrukken echter dat de resultaten van klinische trials niet generaliseerbaar zijn naar heterogene patiëntenpopulaties, omdat een meerderheid van deze patiënten in de dagelijkse praktijk een minder gunstig risicoprofiel heeft. Het combineren van prognostische factoren tot een risicoscore zou daarom een waardevolle bijdrage kunnen zijn om patiënten te stratificeren met een gunstige en slechte prognose.
lees verderDe uitkomsten van het gebruik van ipilimumab in de klinische praktijk bij de behandeling van patiënten met gemetastaseerd cutaan melanoom verschilt enigszins van de resultaten die eerder zijn gerapporteerd in fase III-trials. Dat concluderen Anouk Jochems (UMC Leiden) en collega’s op basis van een studie met gegevens van patiënten die tussen juli 2012 en juli 2015 zijn behandeld. De onderzoekers betwisten het belang niet van fase III-trials, die blijven cruciaal voor het vaststellen van de werkzaamheid van medicijnen en behandelingen. Maar gegevens uit de dagelijkse praktijk hebben een grote toegevoegde waarde om de generaliseerbaarheid van uitkomsten van behandeling met ipilimumab in de klinische praktijk te vergroten.
lees verder