Een kind met een kaal hoofd van de chemotherapie met een roze shirt aan kijkt met een glimlach naar de linkerkant van het beeld. In de achtergrond is wazig de tak van een bloemenstruik te zien.

Vooruitgang in de strijd tegen kanker bij kinderen

De vooruitzichten van kinderen met kanker zijn de afgelopen decennia sterk verbeterd. Deze vooruitgang lijkt dankzij verbeterd gebruik en betere combinaties van cytostatica, verbeterde supportive care en verbeterde behandeling van recidieven. Tussen 1990 en 2017 werden steeds meer kinderen in gespecialiseerde centra behandeld. Dat blijkt uit het proefschrift van Ardine Reedijk getiteld ‘Progress against childhood and young adolescent cancer in the Netherlands since 1990’. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) en de registratie van de Stichting Kinderoncologie Nederland (SKION).

In dit onderzoek keek Reedijk naar alle kinderen (0-17 jaar) die tussen 1990 en 2017 gediagnosticeerd werden met kanker. Ze koppelde gegevens van 2004 tot 2013 uit de NKR aan de SKION-registratie waarin gegevens staan van kinderen die behandeld zijn in de toenmalige gespecialiseerde kinderoncologische centra. 82% van de patiënten stond in beide registraties. Dat betekent dat bijna één op de vijf (18%) van de kinderen over die periode buiten één van de kinderoncologische centra behandeld werd.

Kanker bij kinderen komt iets vaker voor

De incidentie van kinderkanker is de afgelopen 28 jaar licht gestegen, met zo’n 0,6% per jaar. Kanker bij kinderen komt nu dus wat vaker voor dan in de jaren ‘90. Die stijging van kinderkanker is te wijten aan de groeiende incidentie van leukemie, hersentumoren, neuroblastomen en Ewing bottumoren. De incidentie van acute myeloïde leukemie (AML) nam ook licht toe, specifiek in de leeftijdsgroep van 1 tot 4 jaar, terwijl de incidentie van acute lymfatische leukemie (ALL), Hodgkinlymfoom en non-Hodgkinlymfoom onder kinderen stabiel bleef.

Er zijn vier mogelijke verklaringen voor veranderingen in incidentie: eerdere diagnose, nieuwe en/of verbeterde diagnostische technieken, veranderingen in verwijspatronen en/of registratie van de tumoren en een veranderend vóórkomen van risicofactoren in de populatie. Bij een relatief klein aantal diagnoses bleek de stijging toe te schrijven aan verbeterde diagnostische technieken en eerdere diagnose, maar dit verklaart niet de algehele lichte stijging in incidentie, stelt Reedijk. Aangezien het Nederlandse verwijssysteem van eerste naar tweedelijnszorg niet tot nauwelijks veranderd is in de onderzochte tijdsspanne kan dit ook niet de verklaring zijn. Over factoren die het risico mogelijk verhogen op het krijgen van kanker bij kinderen is nog weinig bekend. De exacte oorzaak van de gestegen incidentie kan tot dusverre niet aangewezen worden.

Steeds vaker behandeld in kinderoncologisch centrum

De afgelopen decennia werd een steeds groter aandeel adolescenten (15-17 jaar) met kanker in een kinderoncologisch centrum behandeld, van 33% in 2004 naar 54% in 2013. Het gedeelte van de gehele onderzochte groep kinderen (0-17 jaar) dat niet in een kinderoncologisch centrum behandeld werd, was ouder, had vormen van kanker die vaker bij jongvolwassenen voorkomen en had vaker een lager stadium kanker ten tijde van diagnose, waarvoor enkel chirurgische behandeling afdoende was.

Meer kinderen overleven kanker

De trends in overleving vijf jaar na de diagnose werden gerelateerd aan de onderliggende veranderingen in de kinderoncologische zorg wat betreft type behandelcentrum (wel of niet in een kinderoncologisch centrum) en de behandeling voor een aantal meest voorkomende kankersoorten bij kinderen, namelijk ALL, AML, Hodgkinlymfoom, non-Hodgkinlymfoom en neuroblastomen. Daarnaast werden van deze kankersoorten de trends in sterfte bestudeerd. Hiervoor werden sterftecijfers uit het doodsoorzakenregister van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gebruikt.

Bij ALL steeg de overleving en daalde de sterfte significant over alle leeftijdsgroepen. Jong adolescenten werden steeds vaker in een kinderoncologisch centrum behandeld (van 35% in 1990-94 naar 87% in 2010-15). De kans op sterfte in die groep bleek 70% lager te zijn wanneer de behandeling in een kinderoncologisch centrum plaatsvond.

Bij AML verbeterde de prognose met name in de laatste jaren. Ook concludeert Reedijk dat het recente behandelprotocol de kans op overlijden substantieel vermindert (met 49%) ten opzichte van eerdere behandelprotocollen. Significant meer kinderen over de gehele onderzochte leeftijdsgroep werden in een kinderoncologisch centrum behandeld, een stijging van 85% in 1990-94 naar 97% in 2010-15. Wanneer buiten een kinderoncologisch centrum behandeld werd, bleek de overleving lager.

Ook bij Hodgkinlymfoom, waar de prognose al erg goed was voor kinderen tot en met 14 jaar is een significante verbetering in prognose voor de leeftijdsgroep van 15 tot 17 jaar. Ook bij Hodgkinlymfoom werden steeds meer kinderen in de groep van 15 tot 17 jaar behandeld in een kinderoncologisch centrum (27% naar 81%). Reedijk constateert een verschil in behandelaanpak tussen de kinderoncologie en de volwassen hemato-oncologie: bij laag stadium Hodgkinlymfoom krijgen patiënten op de kinderoncologie-afdeling vaak alleen chemotherapie, terwijl op de volwassenafdeling er nog radiotherapie bovenop komt. De overleving bij beide behandelingen is hoog, maar Reedijk adviseert om de mogelijk nadelige effecten van de therapie op lange termijn te monitoren.

De overleving bij non-Hodgkinlymfoom nam toe en de sterfte nam af. Ook werden bijna alle patiënten vanaf 2004 in een kinderoncologisch centrum behandeld. De prognose bij neuroblastoom verbeterde aanzienlijk, ook bij kinderen ouder dan 18 maanden, voor wie de overleving slecht was: een stijging van 6% in begin jaren ‘90 naar 43% in 2010-15. Alle neurblastoompatiënten werden en worden behandeld in een kinderoncologisch centrum. Trends in sterfte konden hier niet bestudeerd worden aangezien deze niet specifiek worden vastgelegd door het CBS.

Verbeterde behandelingen

Ardine Reedijk concludeert in haar proefschrift dat er al met al vooruitgang geboekt is bij vijf van de meest voorkomende kankersoorten bij kinderen. Bij sommige, AML en neuroblastoom, zijn zelfs grote stappen gemaakt. Waarschijnlijk komt dit door verbeterd gebruik van cytostatica en combinaties hiervan, verbeterde supportive care en verbeterde recidief behandelingen.

Ze benadrukt dat het belangrijk is om de incidentie en overleving van kinderkankers te blijven monitoren. Vanaf 2018 is de behandeling van kinderen met kanker gecentraliseerd in één kinderoncologisch centrum, het Prinses Maxima Centrum. Toekomstig onderzoek kan de effecten hiervan evalueren. Reedijk adviseert dat het onderzoek wordt uitgebreid naar de meer zeldzame vormen van kinderkanker, om te kijken of verbeterde behandelprotocollen ook voor deze vormen van kinderkanker het gewenste effect hebben op de overlevingskansen van kinderen.

Proefschrift

Ardine Reedijk verdedigt haar proefschrift ‘Progress against childhood and young adolescent cancer in the Netherlands since 1990’ op 29 oktober om 9:15 aan de Universiteit Utrecht. Promotoren: prof. dr. L.C.M. Kremer, prof. dr. R. Pieters en prof. dr. J.W.W. Coebergh. Co-promotor: Dr. ir. H.E. Karim-Kos

Gerelateerd

Kanker onder kinderen en adolescenten licht gestegen sinds 1990

Het aantal nieuwe gevallen van kanker bij kinderen en adolescenten is in de afgelopen decennia licht gestegen. Slechts een aantal vormen van kanker waren verantwoordelijk voor de toename, de meeste soorten zijn relatief stabiel gebleven sinds 1990. Dat blijkt uit onderzoek van het Prinses Máxima Centrum voor kinderoncologie en IKNL.

lees verder

Verbeterde overleving en toename incidentie stadium IV neuroblastoom

Kinderen van 18 maanden en ouder met stadium IV neuroblastoom hebben betere overleving

De incidentie van hoog risico neuroblastoom, stadium IV is in Nederland onder kinderen van 18 maanden en ouder tussen 1990 en 2014 gestegen. Tegelijkertijd nam de 5-jaarsoverleving toe van alle kinderen met deze ziekte, met name kinderen met stadium IV neuroblastoom, zo blijkt uit onderzoek van Michelle Tas en Ardine Reedijk (beiden Prinses Máxima Centrum) en collega’s van onder andere IKNL. De verbetering in overleving  hangt samen met introductie van hoge doseringen chemotherapie gevolgd door stamceltransplantatie en immunotherapie. De oorzaak van de toegenomen incidentie van stadium IV neuroblastoom is onbekend.

lees verder