close-up infuuszak

Eerstelijn 6xR-CHOP21 bij DLBCL net zo effectief en met minder bijwerkingen

Eerstelijnsbehandeling met 6x R-CHOP21 is even effectief in vergelijking met intensievere en meer toxische schema’s met R-CHOP14. R-CHOP21 kan daarom worden overwogen bij alle patiënten met stadium II-IV diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL). Dat concluderen Djamila Issa (Amsterdam UMC, Jeroen Bosch Ziekenhuis) en collega’s in een studie met NKR-data. Deze uitkomst dient nog wel bevestigd te worden in een grotere groep patiënten met een langere follow-up.

In gerandomiseerde, klinische trials zijn uiteenlopende schema’s bestudeerd met verschillende doses en dosesintervallen met R-CHOP (doxorubicine, cyclofosfamide, vincristine en rituximab) bij patiënten met diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL). Deze studie is uitgevoerd om de resultaten van deze trials te bevestigen aan de hand van data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR), met speciale aandacht voor de waarde van zes cycli R-CHOP21 (6x R-CHOP21) bij patiënten in de leeftijd van 18 tot 64 jaar.

Opzet

In totaal werden 2.338 patiënten geïncludeerd met stadium II-IV DLBCL. In de eerste analyse werd een antwoord gezocht op de vraag of behandelschema’s met R-CHOP-14 (tweewekelijks schema) en R-CHOP-21 (driewekelijks schema) even effectief zijn? In de tweede analyses werden R-CHOP14 en R-CHOP21 samengevoegd, omdat uit de eerste analyse bleek dat beide schema’s gelijkwaardig effectief zijn, om antwoord te krijgen op de vraag of 6x R-CHOP vergeleken met 8x R-CHOP (acht cycli R-CHOP) een effectieve behandeling oplevert, ongeacht het interval tussen de behandelrondes (te weten, twee- of driewekelijks schema).

Resultaten

De uitkomsten van dit onderzoek bevestigen dat zes versus acht cycli met R-CHOP (en R-CHOP21) een vergelijkbare efficiëntie laten zien ten opzichte van schema’s met R-CHOP14 onder alle leeftijdsgroepen wat betreft de algehele overleving van deze patiënten. De mediane follow-up was 36,4 maanden (bereik 1,3 – 167,6 maanden). Ondanks deze uitkomsten, nam de algehele overleving af bij oplopende leeftijd.

Interessant is dat bij patiënten met een leeftijd tussen 18 en 64 jaar het gecorrigeerd sterfterisico onder patiënten die behandeld waren met 6xR-CHOP21 vergelijkbaar lijkt te zijn met andere R-CHOP-schema’s (hazard ratio 0,62; 95% betrouwbaarheidsinterval 0,38-1,02).

Conclusie en aanbevelingen

Djamila Issa en collega’s concluderen dat de uitkomsten van deze population-based studie met patiënten met stadium II-IV DLBCL de resultaten van diverse gerandomiseerde, klinische trials ondersteunen dat R-CHOP21 versus R-CHOP14 én 6x in plaats van 8x R-CHOP even effectief zijn. Een tweede conclusie is dat schema’s met R-CHOP14 vaker tot toxiciteit en dosisaanpassing leiden vergeleken met R-CHOP21. Tevens stellen de onderzoekers vast dat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat 6x R-CHOP21 (± twee additionele cycli rituximab) minder effectief zou zijn dan intensievere schema’s bij patiënten van 18 tot 64 jaar.

Resumerend suggereren de uitkomsten van deze studie dat 6x R-CHOP21 overwogen kan worden als eerstelijnsbehandeling voor alle patiënten met stadium II-IV DLBCL, hoewel dit eerst nog definitief bevestigd moet worden in een grotere groep patiënten met een langere follow-up. De vraag of twee aanvullende cycli met rituximab na 6x R-CHOP-21 achterwege kunnen blijven, zonder in te leveren op effectiviteit van de behandeling, blijft volgens de onderzoekers een onderwerp voor toekomstige studies.

Gerelateerd

Primaire chemotherapie geeft beste uitkomst bij oudere patiënten met PCNSL

Primaire chemotherapie geeft beste uitkomst bij oudere patiënten met PCNSL

Oudere patiënten (70+) met primair centraal zenuwstelsel lymfoom (PCNSL) die gecombineerde chemotherapie krijgen met methotrexaat en andere middelen, hebben een betere mediane 2-jaarsoverleving dan patiënten die uitsluitend radiotherapie of ondersteunende zorg krijgen. Desondanks blijft de overleving van deze patiënten slecht, zo concluderen Matthijs van der Meulen (Erasmus MC) en collega’s. Er zijn interventiestudies nodig om te evalueren welke patiënten baat hebben bij een intensieve of minder intensieve benadering.

lees verder

Chemotherapie met rituximab bij CLL: effectiviteit in tweedelijn minder duidelijk

Chemotherapie met rituximab bij CLL: effectiviteit in tweedelijn minder duidelijk

Eerstelijnsbehandeling met rituximab-bevattende chemotherapie is effectief bij patiënten met chronische lymfatische leukemie (CLL), maar dit effect lijkt minder duidelijk bij tweedelijnsbehandeling van patiënten zónder signalen van rituximab-resistentie. Dat concluderen Lina van der Straten (IKNL, Albert Schweitzer Ziekenhuis, Dordrecht) en collega’s op basis van population-based onderzoek.

lees verder