Inventarisatie behandelstrategieën en -uitkomsten bij perifere T-cellymfomen met real-world data
Verschillende typen PTCL apart onderzocht; input voor nieuwe richtlijn
Het is steeds duidelijker dat de verschillende entiteiten binnen PTCL klinisch en biologisch zodanig van elkaar verschillen dat ze apart van elkaar onderzocht moeten worden. Daarom onderzocht Meeuwes bij de volgende typen welke behandeling patiënten kregen en wat de uitkomsten daarvan waren:
- anaplastisch grootcellig lymfoom (ALCL);
- nodulair T-folliculair helpercellymfoom, angioimmunoblastair type (nTFHL-AI, eerder AITL genoemd);
- perifeer T-cellymfoom niet nader omschreven (PTCL-NOS);
- enteropathie-geassocieerd T-cellymfoom (EATL);
- borstimplantaat-geassocieerd anaplastisch grootcellig lymfoom (BIA-ALCL): lees het eerder verschenen nieuwsbericht over deze studie.
ALCL, nTFHL-AI en PTCL-NOS vormen ongeveer 80% van de PTCL-diagnoses in Nederland. Daarnaast onderzocht Meeuwes PTCL in alle ziektestadia, evenals terugkerende ziekte (recidief) en ziekte die niet of nauwelijks reageert op de eerstelijnsbehandeling (refractair). Meeuwes’ uitgebreide onderzoek vormde een belangrijke basis voor het opstellen van de richtlijn voor diagnostiek en behandeling van PTCL.
Onderzoek naar optimale behandeling
- Effect van chemotherapie, radiotherapie en chemotherapie + radiotherapie op stadium I PTCL. In een retrospectieve analyse leek bij ALCL, nTFHL-AI en PTCL-NOS behandeling met een combinatie van drie kuren chemotherapie en radiotherapie de gunstigste uitkomsten te geven vergeleken met monotherapie met chemo- of radiotherapie.
- CHOP vs. CHOEP en autologe stamceltransplantatie in eerstelijnsbehandeling bij stadium II-IV ALCL, nTFHL-AI en PTCL-NOS. Het bleek dat er geen verschil in overleving was tussen CHOP en CHOEP (CHOP + etoposide), met uitzondering van patiënten met ALK (anaplastisch lymfoom kinase)-positief ALCL. Patiënten die een autologe stamceltransplantatie (asct) ondergingen, hadden een betere vijfjaarsoverleving dan patiënten die deze behandeling niet kregen: 78% versus 45% (percentages voor alle onderzochte subtypes samengenomen).
- Tweedelijnsbehandeling bij recidief en refractaire ziekte. Voor patiënten met ALCL, nTFHL-AI en PTCL-NOS waren de uitkomsten het beste na tweedelijnsbehandeling met chemotherapie gevolgd door asct of allogene stamceltransplantatie (tweejaarsoverleving 68%); patiënten behandeld met brentuximab-vedotin die een tweede complete remissie bereikten (74%); en patiënten die enkel allogene stamceltransplantatie ondergingen (tweejaarsoverleving 60%). Meeuwes concludeert dat brentuximab-vedotin mogelijk effectiever is dan conventionele chemotherapie bij geselecteerde patiënten.
- Effect behandeling op overleving bij EATL. Behandeling met uitsluitend chirurgie had een negatief effect op de overleving onder patiënten met een gevorderd stadium. Asct had een positief effect op de overleving, het gebruik van etoposide niet. Meeuwes’ resultaten laten zien dat in het algemeen de tweejaarsoverleving van EATL toenam van 21% in de jaren ’90 naar 33% in recente jaren, waarschijnlijk door toenemend gebruik van asct in de behandeling van deze ziekte. De langetermijnprognose blijft zeer somber.
Specifieke behandeling noodzakelijk per type PTCL
Overkoepelend maakt het onderzoek van Meeuwes duidelijk dat de behandeling van PTCL type-specifiek aangepakt moet worden, al varieert de behandeling nu al enigszins. Autologe en allogene stamceltransplantatie en behandeling met chemotherapie plus radiotherapie spelen een belangrijke rol in de behandeling van de verschillende types van PTCL. De prognose is voor de meeste van de types van PTCL niet goed (met uitzondering van ALK-positief ALCL en BIA-ALCL) , maar met name bij terugkerende ziekte en zeer zeldzame types blijft de prognose slecht. Meer onderzoek is nodig om betere behandelopties voor deze patiëntengroepen te ontwikkelen.
Meer informatie
Freek Meeuwes deed onderzoek naar de behandeling van PTCL in het kader van zijn promotie. Hij verdedigde zijn proefschrift met succes op 7 januari 2026. (Co-)promotoren waren prof. dr. Gerwin Huls, dr. Marcel Nijland, dr. Mirian Brink en dr. Wouter Plattel. Lees het volledige proefschrift van Meeuwes: