Baarmoederhalskanker in Nederland

Trends en cijfers uit de Nederlandse Kankerregistratie

Over deze cijfers

In Nederland wordt jaarlijks bij achthonderd vrouwen de diagnose cervixcarcinoom gesteld. Het betreft hier vaak jonge vrouwen: bijna de helft is jonger dan 45 jaar bij diagnose. Vrouwen die midden in de samenleving staan, vaak met een gezin, en met maatschappelijke en sociale verantwoordelijkheden. De behandeling van hun ziekte vindt plaats in oncologische centra, op basis van de meest recente richtlijnen.

Richtlijnen voor de behandeling van cervixcarcinoom laten keuzevrijheid op onderdelen van de behandeling, door literatuur onderbouwd. Daarmee ontstaat de mogelijkheid om te variëren in de invulling van de oncologische zorg. Met dit overzicht willen we in kaart brengen of zulke variatie aanwezig is, en in welke mate. Ook bevat het een aantal uitkomsten met betrekking tot kwaliteit van zorg, die Hans Wenzel in zijn proefschrift heeft beschreven.

Dit overzicht is tot stand gekomen met behulp van velen, waarvoor onze oprechte dank. Opdat de data aanleiding mogen bieden voor een constructieve discussie, met als doel de zorg voor vrouwen met cervixcarcinoom nóg beter te maken dan ze nu al is.

Dr. Maaike van der Aa, senior onderzoeker IKNL
Prof. dr. Ruud Bekkers, gyneacoloog-oncoloog Catharina Ziekenhuis
Prof. dr. Valery Lemmens, bestuurder IKNL
Prof. dr. Hans Nijman, gynaecoloog-oncoloog UMCG
Dr. Hans Wenzel, postdoc onderzoeker IKNL

Acht regio's

Nederland kent acht regionale gynaecologische tumorwerkgroepen. Samen met zorgprofessionals, maakt IKNL informatie over variatie in diagnose en behandeling van het cervixcarcinoom inzichtelijk via regiorapportages, die worden besproken in deze werkgroepen. Dit om de kwaliteit van zorg voor vrouwen met een cervixcarcinoom te verbeteren. De tumorwerkgroepen zijn multidisciplinair en landelijk dekkend en hebben als doel om de beste zorg binnen de regio te geven. In de figuren op deze pagina worden regionale verschillen geanonimiseerd weergegeven in verband met privacy.

Jaarlijks krijgen in Nederland ongeveer 800 vrouwen de diagnose cervixcarcinoom
Epidemiologie

Onderstaand figuur toont de aantallen per gynaecologisch oncologische regio.




Cervixcarcinoom wordt meestal in een relatief vroeg stadium ontdekt, 51% (45–55% per regio) heeft FIGO-stadium IA1–IB1 of IIA1 ten tijde van diagnose.


Bijna de helft van de vrouwen is bij diagnose jonger dan 45 jaar.


Het meest voorkomende histologisch subtype is plaveiselcelcarcinoom (74%)


De gemiddelde vijfjaarsoverleving is met ruim 70 procent relatief hoog.
Overleving

De vijfjaars relatieve overleving van vrouwen met cervixcarcinoom (figuur 6.1) varieert van 94% voor vroeg stadium (FIGO IA1–IB1 en IIA1), tot 59% voor lokaal gevorderde ziekte (FIGO IB2 en IIA2–IVA) en 7% in het geval van gemetastaseerd cervixcarcinoom (FIGO IVB).


Gemiddeld is 74% van de vrouwen vijf jaar na de diagnose cervixcarcinoom nog in leven. Dit percentage varieert tussen de regio’s (70–77%). 

Behandelingen naar stadium, type behandeling en leeftijd (inclusief regionale verschillen)
Primaire behandeling

Chirurgie is de standaardbehandeling voor vrouwen met vroeg stadium cervixcarcinoom (FIGO IA1–IB1 en IIA1). Veertig procent van de vrouwen die met dit stadium worden gediagnosticeerd ondergaat een radicale hysterectomie, al loopt dit percentage per regio uiteen van 35–53%. Bij een vijfde van de vrouwen volstaat een, minder ingrijpende, conisatie of lisexcisie.


Het type chemotherapie dat gegeven wordt bij een chemoradiotherapeutische behandeling verschilt nauwelijks tussen de regio’s.


Bij een lokaal gevorderd cervixcarcinoom (FIGO IB2 en IIA2–IVA) bestaat de behandeling bij voorkeur uit chemoradiatie. Deze behandeling is gegeven aan 61% vrouwen met dit ziektestadium. In één regio wordt de combinatie radiohyperthermie +/- chemotherapie opvallend vaker toegepast dan in de andere regio’s. Het percentage vrouwen dat enkel radiotherapie krijgt varieert tussen de 6–17%. Van alle vrouwen die radiotherapie ondergaan, eventueel gecombineerd met chemotherapie en/of hyperthermie, is dat in 89% van de gevallen ook met brachytherapie (niet afgebeeld). Op regionaal niveau is dat 85–95%.


Individualisatie van palliatieve behandeling is de basis voor gemetastaseerde ziekte (FIGO IVB) en verklaart mogelijk de regionale variatie in behandeling van dit stadium. Daarnaast valt op dat de toepassing van doelgerichte therapie in de eerste lijn nog niet in alle regio’s even sterk zichtbaar is (5–32%). Ook het deel van de patiënten dat in eerste instantie geen tumorgerichte behandeling ondergaat varieert (17–44%).



Over het algemeen geldt dat, hoe jonger de patiënte is ten tijde van diagnose, hoe groter de kans is dat zij volgens de richtlijn zal worden behandeld. Is er sprake van gemetastaseerde ziekte, dan wordt er in 31% van de gevallen besloten om geen tumorgerichte behandeling uit te voeren.

Op basis van data uit de Nederlandse Kankerregistratie worden diverse onderzoeken verricht. Hieronder een greep uit recent verschenen publicaties.
Onderzoek uitgelicht

Overleving vroege baarmoederhalskanker bij open of laparoscopische behandeling

De internationaal opgezette Laparoscopic Approach to Cervical Cancer (LACC) trial toonde in 2018 onverwacht een lagere overlevingskans voor vrouwen die waren behandeld met de laparoscopische radicale hysterectomie, in vergelijking met de traditionele open benadering. Daaruit voortvloeiend zien we in Nederland een sterke afname in het aantal laparoscopisch behandelde vrouwen.


Een retrospectief onderzoek, dat gebruik maakte van gegevens van ruim 1100 in Nederland gediagnosticeerde vrouwen met vroeg stadium cervixcarcinoom, liet na correctie voor verstorende factoren geen verschil in ziektevrije en algehele overleving zien tussen beide benaderingen. Hernieuwde overlevingsanalyses, twee jaar na het voltooien van dit met twee jaar extra follow-up ten opzicht van het oorspronkelijke onderzoek, toonden wederom geen verschil op landelijk niveau. Een open radicale hysterectomie lijkt wel geassocieerd te zijn met een hoger risico op complicaties op korte termijn, wat met name terug te zien is in bloedverlies tijdens de operatie.


Overleving baarmoederhalskanker oudere patiënt blijft achter

De relatieve vijfjaarsoverleving van baarmoederhalskanker nam de afgelopen decennia toe van 68 naar 74 procent. De overleving steeg in alle leeftijdscategorieën, behalve bij patiënten die 75 jaar of ouder waren op het moment van diagnose. ‘Dat is schrijnend om te zien’, aldus onderzoeker Hans Wenzel, ‘met nieuwe alternatieve behandelstrategieën kunnen we in de toekomst deze patiëntgroep hopelijk beter helpen.'

Lees verder

Er zijn regionale verschillen in de adjuvante behandeling na een radicale hysterectomie
Adjuvante behandeling na radicale hysterectomie

Het percentage dat een adjuvante behandeling ondergaat varieert tussen de 13–89%.

Van de vrouwen die adjuvant worden behandeld krijgt in totaal 55% radiotherapie, al verschilt dat per regio van 38–68%. In de overige gevallen (45%) wordt de radiotherapeutische behandeling gelijktijdig met chemotherapie gegeven.


Adjuvante chemoradiatie is geïndiceerd indien er sprake is van tenminste één hoogrisicofactor (positieve snijranden, lymfekliermetastasen of parametriuminvasie). Zo’n hoogrisicofactor werd vastgesteld bij 16% van de vrouwen die een radicale hysterectomie ondergingen voor vroeg stadium cervixcarcinoom. Van deze factoren komt lymfekliermetastasen het vaakst voor (13%) gevolgd door parametriuminvasie (3%) en positieve snijranden (2%).


Verantwoording

Deze pagina geeft een landelijk en regionaal overzicht van de incidentie, behandeling en overleving van het cervixcarcinoom in Nederland, gebaseerd op gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De variatie in oncologische zorg wordt beschreven voor vrouwen met de diagnose cervixcarcinoom. Hierbij is een vergelijking gemaakt tussen de acht gynaecologisch oncologische regio’s in Nederland.  

Privacy statement

Dit rapport vergelijkt gynaecologisch oncologische regio’s in Nederland. Deze regio’s zijn weergegeven als A t/m H. Vanwege privacy en contractuele verplichtingen van de regio’s verschilt de volgorde per figuur. Regio A in figuur 1 is niet dezelfde regio als regio A in figuur 2 enzovoorts.

Inclusiecriteria

Gegevens van alle nieuwe diagnoses van invasief cervixcarcinoom, zoals vastgelegd in de NKR, zijn meegenomen voor de diagnosejaren 2016 tot en met 2020. Alle vrouwen waren 18 jaar of ouder ten tijde van de diagnose. De gehanteerde FIGO-stadiëring betreft de versie uit 2009, wat onder andere betekent dat klierstatus geen invloed heeft op het ziektestadium.