Nieuw model voorspelt de prognose bij uitgezaaide nierkanker beter
Dit kan zorgen voor een meer passende behandeling
Bij patiënten met uitgezaaid heldercellig niercelcarcinoom (mccRCC) is de prognose belangrijk voor de behandelkeuze. Die prognose wordt bijna altijd bepaald met het IMDC-model. Dit model kijkt naar zes risicofactoren en deelt patiënten daarna in drie groepen in: gunstig, intermediair en ongunstig.
Die indeling wordt overal in de nierkankerzorg gebruikt. De richtlijnen van de ESMO en de EAU geven per prognosegroep een ander behandeladvies. Ook in klinisch onderzoek speelt de indeling een grote rol: studies verdelen hun patiënten in deze groepen en rapporteren de resultaten per groep. Welke behandeling een patiënt krijgt, hangt dus mede af van de prognosegroep waarin het IMDC-model de patiënt plaatst.
Maar het IMDC-model is ontwikkeld met gegevens van patiënten die tussen 2004 en 2010 werden behandeld. Toen bestonden de huidige combinatiebehandelingen met immuuncheckpointremmers nog niet. De overleving was destijds ook een stuk slechter. Daarnaast telt het model alleen hoeveel risicofactoren iemand heeft. Het kijkt niet naar hoe zwaar elke factor meeweegt.
Onderzoek met gegevens van 1.747 patiënten uit klinisch onderzoek
De onderzoekers gebruikten gegevens van individuele patiënten uit twee grote fase III-studies: CheckMate-214 (1.096 patiënten) en CheckMate-9ER (651 patiënten). In beide studies kregen patiënten als eerste behandeling ofwel sunitinib, ofwel een combinatie met immuuntherapie. Met de gegevens uit CheckMate-214 ontwikkelden de onderzoekers het nieuwe model. Daarna valideerden zij het model op de gegevens uit CheckMate-9ER.
Het nieuwe model heet CPI2 (Clinical Prognostic Index in the Checkpoint Inhibitor era). Het gebruikt veertien kenmerken die vóór de start van de behandeling meestal al bekend zijn: leeftijd, performance status, eerdere nefrectomie, uitzaaiingen in lever, long, bot en lymfeklieren, en zeven laboratoriumwaarden (calcium, alkalische fosfatase, albumine, LDH, neutrofielen, lymfocyten en leukocyten). PD-L1-expressie voegde niets toe aan de voorspelling.
Duidelijk betere voorspelling
In de test op de gegevens van CheckMate-9ER had CPI2 een Uno’s C-index van 0,72 (95%-BI: 0,68-0,76) voor overleving na 36 maanden. Voor het IMDC-model was dit 0,61 (0,57-0,65). Deze index laat zien hoe goed een model verschil maakt tussen patiënten die wel en niet overlijden. Een score van 0,5 is niet beter dan toeval en een score van 1,0 is een perfecte voorspelling. Ook de kalibratie was goed: de voorspelde overlevingskansen kwamen goed overeen met de werkelijke.
Belangrijk is dat veel patiënten met CPI2 in een andere groep terechtkomen dan met het IMDC-model. Iemand met een gunstige prognose volgens IMDC kan bijvoorbeeld met CPI2 in de intermediaire of ongunstige groep vallen en andersom.
Wat dit betekent voor de praktijk
De behandeladviezen zijn gekoppeld aan de prognosegroep. Een betere indeling heeft dus direct gevolgen. Patiënten komen vaker in een meer passende prognosegroep terecht. Daardoor past de behandeling die zij krijgen naar verwachting beter bij hun werkelijke vooruitzichten, aldus de onderzoekers.
De verschuiving tussen de groepen roept ook vragen op over eerder onderzoek. De grote studies waarop de huidige richtlijnen zijn gebaseerd, keken naar de resultaten per IMDC-groep. Als die indeling niet goed werkt, kunnen verschillen in het effect van een behandeling zijn onderschat of gemist. De onderzoekers vinden daarom dat die studies opnieuw bekeken moeten worden met CPI2.
"Het IMDC-model wordt overal in de nierkankerzorg gebruikt: in de behandelrichtlijnen, in de opzet van studies en in de analyses van subgroepen in klinische studies. Juist daarom is het belangrijk dat die indeling klopt. Wij laten zien dat het veel nauwkeuriger kan, met gegevens die standaard beschikbaar zijn. Als je patiënten beter kunt indelen, kun je beter de meest passende behandeling kiezen. En omdat een groot deel van de patiënten in een andere groep valt, vinden wij het een logische vervolgstap om de grote studies opnieuw te bekijken met CPI2. Dat kan vooral duidelijkheid geven in de discussie over de meerwaarde van immuuncombinaties bij patiënten met een gunstige prognose." - dr. Anke Richters, onderzoeker bij IKNL
Vervolgstappen
De onderzoekers benadrukken dat CPI2 eerst verder getest moet worden, met data van patiënten in andere geneesmiddelenstudies, maar zeker ook van patiënten in de dagelijkse praktijk. In beide CheckMate-studies deden namelijk geen patiënten mee met hersenmetastasen, met een Karnofsky performance score onder de 70% of met een niet-heldercellig type. Bij de publicatie zit een rekenhulp waarmee je de CPI2-score per patiënt kunt berekenen.
Het onderzoek werd mede gefinancierd door de Josephine Nefkens Stichting. De gegevens werden beschikbaar gesteld door Bristol Myers Squibb via het Vivli-platform.
Meer informatie
Neem voor meer informatie over dit onderzoek contact op met Anke Richters, senior onderzoeker. Vraag het volledige wetenschappelijke artikel op via bibliotheek@iknl.nl of lees het artikel online:
- Richters, A., Bond, M., Westgeest, H., Özdemir, B., Damen, J., & Aben, K., Development and external validation of a new prognostic model for metastatic clear cell renal cell carcinoma: a preregistered analysis using data from randomised clinical trials in the checkpoint inhibitor era. The Lancet Oncology, 2026