Vaak urine-incontinentie en erectiestoornis na behandeling prostaatkanker

Vaak urine-incontinentie en erectiestoornis na behandeling prostaatkanker

Een fors deel van patiënten met gelokaliseerde en lokaalgevorderde prostaatkanker rapporteert twee jaar na diagnose last te hebben van urine-incontinentie en erectiestoornissen. Dit geldt vooral voor patiënten die een prostatectomie hebben ondergaan. Dit blijkt uit een population-based studie van Robin Vernooij (IKNL) en collega’s op basis patiënt gerapporteerde data. Het deel van patiënten  met deze klachten zoals gerapporteerd in deze studie is groter dan eerder is gerapporteerd op basis van klinische trials. Dit onderschrijft het belang van studies in ongeselecteerde patiëntpopulaties, uit de dagelijkse klinische praktijk

Hoewel bijwerkingen na behandeling van prostaatkanker vaak voorkomen, zijn population-based studies naar functionele effecten van behandelingen zeldzaam. In de ProZIB studie, waarin kwaliteit van prostaatkankerzorg in Nederland in kaart is gebracht, is het optreden van urine-incontinentie geëvalueerd en erectiestoornissen in de dagelijkse, klinische praktijk aan de hand van een cohort Nederlandse mannen met gelokaliseerde of lokaal gevorderde prostaatkanker. .

Studieopzet

Patiënten kregen een uitnodiging om een vragenlijst (EPIC-26) in te vullen voorafgaand aan de behandeling (basismeting) en 12 en 24 maanden na diagnose. Aan de hand van de antwoorden werden de gemiddelde EPIC-26-scores berekend en gestratificeerd naar het type behandeling (prostatectomie, externe radiotherapie en geen actieve behandeling). Ook bepaalden de onderzoekers het percentage patiënten met urine-incontinentie (gedefinieerd als minimaal twee inlegverbanden per dag) en erectiestoornissen (gedefinieerd als erectie niet stevig genoeg voor geslachtsgemeenschap). Met logistische regressie werd factoren verkend die samenhangen met urine-incontinentie of erectiestoornissen na chirurgie.

Resultaten

In totaal namen 1.759 patiënten deel aan de studie. Na een prostatectomie kregen patiënten te maken met een klinisch relevante verslechtering van de urine-incontinentie. Na uitsluiting van patiënten die voorafgaand aan de behandeling al urine-incontinentie rapporteerden, bleek dat 15% van de patiënten 24 maanden na een prostatectomie te maken had met urine-incontinentie. Bij chirurgisch behandelde patiënten hing alleen comorbiditeit samen met urine-incontinentie.

Onafhankelijk van de behandeling rapporteerden alle patiënten een klinisch significante afname van hun seksueel functioneren over de tijd. Voor de behandeling meldde 54% van de patiënten erectieproblemen. Onder de 46% resterende patiënten, rapporteerde 87% erectiestoornissen na een prostatectomie op 24 maanden na de diagnose, 41% na radiotherapie en 46% van de patiënten die geen behandeling kregen. Bilaterale zenuwsparende chirurgie was de enige factor die samenhing met een lagere kans op erectiestoornissen na 24 maanden.

Conclusies en aanbevelingen

Robin Vernooij en collega’s concluderen dat urine-incontinentie en erectiestoornissen vaak voorkomen bij patiënten met gelokaliseerde en lokaalgevorderde prostaatkanker, vooral na een prostatectomie. De resultaten omtrent urine-incontinentie zijn in lijn met resultaten uit een eerder uitgevoerde Nederlandse studie op basis van declaratiedata. Echter, in vergelijking met klinisch vergelijkende studies (in selectieve patiëntengroepen), rapporteren patiënten in deze studie vaker urine-incontinentie en erectiestoornissen.

Deze studie ondersteunt het belang van dataverzamelingen uit de dagelijkse, klinische praktijk. Deze inzichten kunnen gebruikt worden voor het geven van aanbevelingen en informatievoorziening aan patiënten met prostaatkanker. Daarnaast kunnen de bevindingen uit deze studie gebruikt worden om de effecten van toekomstige initiatieven te evalueren, zoals centralisatie van behandelingen en onderzoek gericht op het verbeteren van functionele uitkomsten bij deze patiënten. 

Vergelijking met andere studies

In Nederland wordt een groot deel van de patiënten met gelokaliseerde prostaatkanker niet direct behandeld maar gevolgd middels een actief surveillancebeleid. Dat zou kunnen betekenen dat patiënten die in dit studiecohort een prostatectomie kregen al bij diagnose minder gunstige ziektekenmerken hadden wat invloed heeft op de onderzochte uitkomsten. Ook is het belangrijk om rekening te houden met verschillen in gebruikte definities voor urine-incontinentie en erectiestoornissen bij het vergelijken van de resultaten van deze studie met andere studies. Tot slot merken de onderzoekers op dat deze studie niet geschikt was voor het evalueren van het effect van het ziekenhuisvolume op de functionele uitkomsten van patiënten.

Gerelateerd

Ex-patiënten hebben voorkeur specifieke zorgverlener tijdens follow-up

Ex-patiënten die behandeld zijn vanwege prostaatkanker of een melanoom, hebben uiteenlopende voorkeuren als het gaat om specifieke zorgverleners tijdens de follow-up. Deze voorkeuren hangen onder andere samen met leeftijd, opleidingsniveau, geslacht en tevredenheid met de huisarts. Dat blijkt uit onderzoek van Lotte Huibertse (IKNL) en collega’s met behulp van het patiëntenvolgsysteem PROFILES. Volgens de onderzoekers geeft de gevonden variatie in voorkeuren aan dat er behoefte is aan follow-up-trajecten die meer zijn toegesneden op kankergerelateerde problemen. Daarnaast is er een dringende noodzaak om patiënten beter te informeren over (toekomstige) veranderingen in de nazorg. 

lees verder

Bijwerkingen na prostaatkanker vooral geassocieerd met behandeling

Bijwerkingen die mannen na behandeling van prostaatkanker ervaren, hangen vooral samen met de medische behandeling die zij hebben gekregen. Andere risicofactoren zijn complicaties tijdens de biopsie, aanwezigheid van comorbiditeit(en) en fysiek functioneren voor de behandeling. Dat blijkt uit een grote, population-based studie van onderzoekers van de Universiteit Twente, IKNL en collega’s uit Ierland en Noord-Ierland gepubliceerd in de European Journal of Cancer Care. De uitkomsten van deze studie kunnen worden gebruikt om patiënten en artsen beter te informeren over de risico’s op het ontstaan van bijwerkingen bij specifieke behandelingen.

lees verder