Meer onderzoek nodig naar rol van geslacht op carcinogenese & behandeling

In de oncologie wordt, in tegenstelling tot andere disciplines, nauwelijks rekening gehouden met biologische verschillen tussen mannen en vrouwen en de invloed van geslachtschromosomen en geslachtshormonen op zowel lokale als systemische determinanten van carcinogenese. Een groep deskundigen die eind 2018 deelnam aan een ESMO-workshop, concludeert dat er meer onderzoek nodig is naar sekseverschillen in de kankerbiologie en meer trials met geslachtsspecifieke doseringsschema’s. Ook is meer onderzoek nodig naar niet-geslachtsgebonden vormen van kanker of subgroepen met significante verschillen in epidemiologie of uitkomsten van behandeling, omdat deze als ‘biologisch verschillend’ worden beschouwd.

Over het belang van geslacht en gender (sociaal-culturele aspecten samenhangend met geslacht) als modulatoren van ziekten en uitkomsten van behandelingen wordt steeds meer bekend in andere medische disciplines, zoals cardiologie, maar binnen de oncologie is het tot dusver een ondergewaardeerd onderwerp.

Gelet op het toenemend bewijs van de relevantie van geslacht, besloot de European Society for Medical Oncology (ESMO) dit onderwerp te behandelen tijdens een multidisciplinaire workshop op 30 november en 1 december 2018 in Lausanne (Zwitserland). Hieraan namen twintig uitgenodigde faculteitsleden en veertig geselecteerde artsen / wetenschappers deel. De faculteitsleden presenteerden relevante inhoud op basis van door hen uitgevoerd literatuuronderzoek. De consensussessie leverde een reeks definitieve consensusverklaringen op die in deze publicatie worden gerapporteerd.

Geslachtsverschillen

Klinisch relevante geslachtsverschillen in de oncologie omvatten tumorbiologie, activiteit van het immuunsysteem, lichaamssamenstelling, farmacokinetiek en effecten van medicatie. De belangrijkste verschillen tussen mannen en vrouwen worden veroorzaakt door geslachtschromosomen en het niveau van blootstelling van de lichaamscellen aan specifieke geslachtshormonen. Hierdoor worden zowel lokale als systemische determinanten van carcinogenese beïnvloed.

Het effect van geslachtschromosomen en geslachtshormonen op de carcinogenese in de niet-reproductieve organen is grotendeels onbekend. Recent bewijs suggereert verschillen in tumorbiologie en moleculaire markers. Wat betreft de lichaamssamenstelling is het verschil in metabool actieve, vetvrije lichaamsmassa een van de meest prominente. Bij een man en een vrouw met hetzelfde lichaamsgewicht en lengte is dit omgerekend 80% van de lichaamsmassa bij mannen en 65% bij vrouwen. Hiermee wordt geen rekening gehouden bij het bepalen van de dosis chemotherapie aan de hand van het lichaamsoppervlak van patiënten.

Conclusie en aanbevelingen

De auteurs concluderen dat sekseverschillen in de kankerbiologie en behandeling van kanker meer aandacht en systematisch onderzoek verdienen. Klinische trials zijn noodzakelijk om geslachtsspecifieke doseringsschema’s te evalueren en een beter evenwicht te vinden tussen de werkzaamheid en toxiciteit van geneesmiddelen met significante farmacokinetische verschillen. Vooral bij niet-geslachtsgebonden vormen van kanker met significante verschillen in epidemiologie of uitkomsten van behandeling, moeten mannen en vrouwen beschouwd worden als biologisch verschillende (groepen) patiënten, voor wie specifieke behandelingsstrategieën het overwegen waard zijn.

Uitdagingen

De auteurs signaleren allerlei uitdagingen bij onderzoek naar de impact van genderverschillen, waaronder adequate representatie van mannen en vrouwen in klinische trials. De deelname van mannen en vrouwen aan klinische trials is vaak in balans, maar dat geldt niet voor alle vormen van kanker. Geslacht zou daarom standaard een stratificatiefactor moeten zijn bij klinische trials. Een andere uitdaging vormt het testen op sekseverschillen in studies naar veiligheid van medicatie, omdat toename van het aantal tests kan leiden tot een stijging van vals-positieve resultaten. Het vooraf vaststellen van te testen bijwerkingen per geslacht kan helpen de resultaten van studies beter te interpreteren. Ook meta-analyses, rapportages en registratiegegevens kunnen belangrijke informatie opleveren over de toxiciteit (incidentie, ernst en duur) van een behandeling.

Gerelateerd

Toenemend aantal patiënten vraagt mogelijk om efficiëntere organisatie MDO’s

De meeste patiënten met kanker worden in Nederland over het algemeen besproken in een multidisciplinair overleg, hoewel er verschillen zijn tussen de diverse tumorsoorten. Dat blijkt uit onderzoek van Janneke Walraven (Radboudumc & IKNL) en collega’s met gegevens van ruim honderdduizend patiënten uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Gelet op het stijgend aantal patiënten lijkt efficiëntere organisatie van MDO’s nodig om ook in de toekomst hoogwaardige, oncologische zorg te kunnen garanderen. De auteurs doen daarom een aantal aanbevelingen voor een andere werkwijze van MDO’s als aftrap voor een inhoudelijk debat.

lees verder

Oudere patiënten (70+) met kanker kunnen zelf G8-screening invullen

Oudere patiënten met kanker (70 jaar en ouder) zijn goed in staat om een zelfgerapporteerde G8-vragenlijst in te vullen voor het bepalen van hun kwetsbaarheid (frailty). De uitkomsten hiervan zijn vergelijkbaar met de oorspronkelijke G8 die door zorgprofessionals wordt afgenomen. Dit geldt echter niet voor zelfgerapporteerde screenings door geriatrische patiënten, zo blijkt uit onderzoek van geriater Inez van Walree (Diakonessenhuis Utrecht) en collega’s. De uitkomsten van dit onderzoek geven aan dat een zelfgerapporteerde G8-screening door een oudere kankerpatiënt een goed alternatief kan zijn in de klinische praktijk. Het biedt ook mogelijkheden voor inzet van zelfgerapporteerde screenings in bijvoorbeeld klinische trials.

lees verder