Impact positieve klieren na neoadjuvante chemotherapie op vervolgbehandeling

Bij cT1-3N0 ER+HER2+, cT1-3N0 ER-HER2+ en triple negatieve cT1-2N0 borstkankerpatiënten die behandeld zijn met neoadjuvante chemotherapie, kan een directe borstreconstructie worden overwogen als een acceptabele behandeloptie, vanwege het lage risico op het vinden van positieve schildwachtklieren. Dat concluderen Sanaz Samiei (Maastricht UMC+) en collega’s in Annals of Surgical Oncology. Echter, bij patiënten met cT1-3N0 ER+HER2- en triple negatieve borstkanker dienen risico’s en voordelen van een directe borstreconstructie uitvoerig besproken te worden met de patiënt, omdat het risico op het aantreffen van positieve schildwachtklieren relatief hoog is.

Tumorresten in de okselklieren na neoadjuvante chemotherapie is de doorslaggevende factor voor het geven van radiotherapie na een mastectomie. Preoperatieve identificatie van patiënten die in aanmerking komen voor radiotherapie na een mastectomie is essentieel om tot gezamenlijke besluitvorming te komen voor het kiezen van het optimale tijdstip van een borstreconstructie. In deze studie is de kans bepaald op het vinden van positieve schildwachtklieren bij klinisch kliernegatieve (cN0) patiënten na neoadjuvante chemotherapie.

Opzet

De onderzoekers identificeerden alle patiënten met borstkanker (stadium cT1-3N0) in de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) die tussen 2010 en 2016 zijn behandeld met neoadjuvante chemotherapie gevolgd door een mastectomie en een schildwachtklierbiopsie. Binnen dit cohort werd het aandeel positieve schildwachtklieren bepaald voor verschillende subtypen van borstkanker. Ook werd de correlatie geanalyseerd tussen klinische en pathologische variabelen en de aanwezigheid van positieve schildwachtklieren.

Resultaten

In totaal werden de gegevens van 788 patiënten opgenomen in de studie, van wie 197 patiënten (25%) met positieve schildwachtklieren. De laagste percentages positieve schildwachtklieren werden gevonden bij cT1-3N0 ER+HER2+ borstkankerpatiënten (7,2-11,5%), bij cT1-3N0 ER-HER2+ (0-6,3%) en bij triple negatieve cT1-2N0 (2,9-6,2%) patiënten.

De hoogste percentages positieve schildwachtklieren werden gevonden bij cT1-3N0 ER+HER2- (23,8-41,7%) en triple negatieve cT3N0 borstkankerpatiënten (30,4%). Multivariabele regressieanalyse toonde aan dat de volgende variabelen van borstkanker samenhingen met positieve schildwachtklieren: cT2 (risico 1,93), cT3 (risico 2,56), graad 3 (risico 0,44) en subtype ER+HER2- (risico 3,94).

Conclusie

Sanaz Samiei en collega’s concluderen dat bij patiënten met cT1-3N0 ER+HER2+, cT1-3N0 ER-HER2+ en triple negatieve cT1-2N0 borstkanker die behandeld zijn met neoadjuvante chemotherapie, een directe borstreconstructie als een acceptabele optie overwogen kan worden vanwege het lage risico op het vinden van positieve schildwachtklieren. Echter, bij patiënten met cT1-3N0 ER+HER2- en triple negatieve cT3N0 borstkanker die behandeld zijn met neoadjuvante chemotherapie dienen risico’s en voordelen van een directe borstreconstructie besproken te worden met de patiënt. Dit vanwege het relatief hoge risico op een positieve uitslag van de schildwachtklierprocedure met als gevolg een noodzaak van postoperatieve radiotherapie.

Aanbevelingen

Bij patiënten met een verhoogd risico, die desondanks een directe borstreconstructie wensen, kan volgens de onderzoekers een schildwachtklierprocedure na neoadjuvante chemotherapie overwogen worden vóórafgaand aan de borstoperatie om de noodzaak van postoperatieve radiotherapie te bepalen. Een belangrijke voorwaarde is wel dat mogelijke complicaties van postoperatieve radiotherapie uitgebreid met de patiënt besproken dienen te worden voor het geval dat voorafgaand aan de borstreconstructie toch positieve schildwachtklieren worden aangetroffen.

Mogelijke complicaties bij postoperatieve radiotherapie zijn mede afhankelijk van het type borstreconstructie (implantaat versus autoloog). Bij implantaten kan postoperatieve radiotherapie een negatieve invloed hebben op de esthetische uitkomst en bijdragen aan een verhoogd risico op kapselcontractuur. Bij autologe borstreconstructies kan postoperatieve radiotherapie leiden tot verhoogde kans op vetnecrose en volumeverlies.

Gerelateerd

Toename radiotherapie bij patiënten in Nederland na een mastectomie

Het gebruik van radiotherapie bij patiënten met borstkanker is in Nederland tussen 2011 en 2015 toegenomen van 64% naar 70%. Deze stijging hangt voornamelijk samen met een toename van het aantal patiënten dat wordt bestraald na een mastectomie, concluderen Kay Schreuder (IKNL, Universiteit Twente, NABON) en collega’s. Wanneer naar de toepassing van radiotherapeutische behandelingen wordt gekeken, dan blijkt dat na een borstsparende operatie bijna alle patiënten (97,3%) radiotherapie krijgen tegenover iets meer dan een kwart (26,1%) na een mastectomie. Bij zowel borstsparende chirurgie als mastectomie hangt een lagere leeftijd en diagnose van een ER+-tumor samen met een hogere inzet van radiotherapie.

lees verder

Vertraging in de behandeling van borstkanker na overdracht ander ziekenhuis

Bijna 5% van alle vrouwen met borstkanker in Nederland worden na diagnose overgedragen aan een ander ziekenhuis voor primaire chirurgie. Bij neo-adjuvante chemotherapie ligt dit aandeel op 25%. Onderzoek van Erik Heeg en collega’s met data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) toont aan dat deze overdrachten leiden tot vertraging. De grootste vertragingen (gemiddeld negen dagen) komen voor na overdrachten voor een borstamputatie met directe borstreconstructie. Hoewel er nog geen sluitend bewijs is gevonden, vermoeden de onderzoekers dat het ontbreken van deskundigheid en integratie van plastisch chirurgen in mammateams de meest waarschijnlijke verklaring is voor deze vertraging.

lees verder