Toenemend aantal patiënten vraagt mogelijk om efficiëntere organisatie MDO’s

De meeste patiënten met kanker worden in Nederland over het algemeen besproken in een multidisciplinair overleg, hoewel er verschillen zijn tussen de diverse tumorsoorten. Dat blijkt uit onderzoek van Janneke Walraven (Radboudumc & IKNL) en collega’s met gegevens van ruim honderdduizend patiënten uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Gelet op het stijgend aantal patiënten lijkt efficiëntere organisatie van MDO’s nodig om ook in de toekomst hoogwaardige, oncologische zorg te kunnen garanderen. De auteurs doen daarom een aantal aanbevelingen voor een andere werkwijze van MDO’s als aftrap voor een inhoudelijk debat.

Voor het bieden van optimale oncologische zorg wordt aanbevolen om elke patiënt met kanker te bespreken in een multidisciplinair overleg (MDO). Volgens de SONCOS-normering dient meer dan 90% van de patiënten in een MDO besproken te worden. Dit is tijdrovend en kostbaar, wat in toenemende mate leidt tot de vraag om de huidige werkwijze te veranderen. Het doel van dit onderzoek is het aantal patiënten dat tijdens een MDO is besproken in kaart te brengen en om kenmerken te identificeren die verband houden met het niet-bespreken van patiënten.

Opzet en resultaten

De onderzoekers analyseerden gegevens van patiënten met een solide, kwaadaardige tumor die tussen 2015 en 2016 zijn gediagnosticeerd en opgenomen in de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Tumorsoorten die vaak gezamenlijk werden besproken tijdens een tumorspecifiek MDO werden geclusterd in groepen. Tumorsoorten waarover geen MDO-informatie beschikbaar was in de NKR werden uitgesloten. Met multivariabele logistische regressieanalyses werden factoren geïdentificeerd die samenhangen met het niet-bespreken in een MDO.

Van de 105.305 geïncludeerde patiënten met kanker, werd 91% besproken in een MDO, variërend van 74% tot 99% tussen de verschillende tumorsoorten. Aanzienlijk minder frequent werden besproken patiënten met een leeftijd 75 jaar en ouder (odds ratio = 0,7), patiënten met stadium I (odds ratio = 0,5), stadium IV (odds ratio = 0,4) of onbekend stadium (odds ratio = 0,2) en patiënten die geen behandeling kregen (odds ratio = 0,3). Patiënten die een multidisciplinaire behandeling kregen, hadden meer kans om te worden besproken in een MDO (odds ratio = 4,6) vergeleken met patiënten die in aanmerking kwamen voor een monodisciplinaire behandeling.

Conclusie

Janneke Walraven en collega’s concluderen dat de meeste patiënten met kanker over het algemeen daadwerkelijk besproken werden in een multidisciplinair overleg, hoewel er verschillen zijn waargenomen tussen de diverse tumorsoorten. Factoren die samenhangen met het niet-bespreken weerspiegelen de afwezigheid van een multidisciplinaire vraagstelling. De uitkomsten van dit onderzoek vormen een startpunt voor een debat over de efficiëntere organisatie van MDO’s binnen de oncologie. Uitgangspunt hierbij is het aanbieden van hoogwaardige oncologische zorg, waarbij de kwaliteit en snelheid van deze zorg wordt gehandhaafd tegen lagere kosten, aangezien een toenemend aantal patiënten met kanker besproken dient te worden in een multidisciplinair overleg.

Aanbevelingen en suggesties

Deze studie maakt duidelijk dat een efficiëntere organisatie van de werkwijze van MDO’s onvermijdelijk lijkt. Echter, op basis van de uitkomsten is het niet eenvoudig om één specifieke groep uit te sluiten van MDO-bespreking. Aanvullend onderzoek moet daarom gericht zijn op patiënten die een monodisciplinair behandelplan hebben ontvangen, zodat gedetailleerde vergelijkingen gemaakt kunnen worden over al dan niet bespreken in een MDO en verwachte (of geen) behandeling volgens de klinische richtlijnen. Ook wordt uitgekeken naar de uitkomsten van het MDO 2.0-project.

Gerelateerd

Meer onderzoek nodig naar rol van geslacht op carcinogenese & behandeling

In de oncologie wordt, in tegenstelling tot andere disciplines, nauwelijks rekening gehouden met biologische verschillen tussen mannen en vrouwen en de invloed van geslachtschromosomen en geslachtshormonen op zowel lokale als systemische determinanten van carcinogenese. Een groep deskundigen die eind 2018 deelnam aan een ESMO-workshop, concludeert dat er meer onderzoek nodig is naar sekseverschillen in de kankerbiologie en meer trials met geslachtsspecifieke doseringsschema’s. Ook is meer onderzoek nodig naar niet-geslachtsgebonden vormen van kanker of subgroepen met significante verschillen in epidemiologie of uitkomsten van behandeling, omdat deze als ‘biologisch verschillend’ worden beschouwd.

lees verder