Effect regionale factoren op borstkankerzorg lijkt groter dan visitatie

Regionale factoren lijken een groter effect te hebben op de behandeling van patiënten met borstkanker dan deelname van ziekenhuizen aan externe visitatieprogramma's. Dat staat te lezen in een recente publicatie van Melvin Kilsdonk Msc (IKNL) en collega's in Bio Med Central. Om de kloof tussen kwaliteitsverbetering en uitkomsten van zorg te overbruggen, is het volgens de onderzoekers beter om de focus meer te richten op de feitelijke levering van klinische zorg en de integratie van betrouwbare uitkomstdata met behulp van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR).

Variatie in behandelingen is een belangrijk onderwerp binnen de oncologische zorg. In 1994 werd in Nederland een extern visitatieprogramma voor multidisciplinaire, oncologische zorg geïntroduceerd om de multidisciplinaire organisatie van de oncologische zorg in ziekenhuizen te verbeteren. Tot dusver is de klinische impact van externe kwaliteitsbeoordelingsprogramma's zoals externe visitatie en accreditatie onduidelijk. Het doel van deze studie was om de mate van variatie in behandelingen en het mogelijk effect van externe visitatie te onderzoeken bij de multidisciplinaire oncologische zorg voor patiënten met borstkanker.

Twee interventieregio's
De studie werd uitgevoerd aan de hand van gegevens van patiënten met borstkanker uit 23 ziekenhuizen uit twee interventieregio's met de langste ervaring met visitatie en een controlegroep bestaande uit 7 ziekenhuizen die nooit deelnamen aan een visitatieprogramma. De gegevens over de tumoren en de behandeling waren afkomstig van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR).

De volgende behandelvormen werden onderzocht in de studie: de volledigheid van borstsparende therapie, introductie van de schildwachtklierbiopsie, radiotherapie na borstsparende chirurgie voor patiënten met ductaal carcinoma in situ (DCIS), adjuvante radiotherapie voor lokaal gevorderde borstkanker (T3 / M0 of een T, N2- 3 / M0), adjuvante chemotherapie bij een vroeg stadium van borstkanker (T1-2 / N + / M0) en neo-adjuvante chemotherapie voor T4 / M0 borstkanker.

Ziekenhuizen uit de twee interventieregio's werden ingedeeld op basis van hun implementatieaandeel (IP) van de aanbevelingen uit de eindverslagen van visitatie (hoge IP versus lage IP). Dit werd beschouwd als een maat voor de mate waarin een ziekenhuis participeerde in het visitatieprogramma. In totaal werden 63.516 patiënten met borstkanker opgenomen in de studie (1990-2010). Er werd variatie waargenomen in de behandelpatronen tussen de interventieregio's en de controlegroep. De multidisciplinaire behandelpatronen waren niet consequent beter voor patiënten uit ziekenhuizen met een hoge IP.

Regionale factoren
Melvin Kilsdonk en collega's concluderen dat er geen relatie is tussen externe visitatieprogramma's voor multidisciplinaire zorg aan kankerpatiënten en multidisciplinaire behandelingen voor borstkankerpatiënten. Regionale factoren lijken een sterker effect te hebben op de behandelpatronen van deze patiënten dan deelname van een ziekenhuis een extern visitatieprogramma. 

Om de kloof tussen kwaliteitsverbetering en uitkomsten van zorg te overbruggen, is het volgens de onderzoekers beter om de focus meer te richten op de feitelijke levering van klinische zorg en de integratie van betrouwbare uitkomstdata met behulp van de kankerregistratie (NKR). Variatie in behandeling, zoals gevonden in deze studie, kan door ziekenhuizen worden gebruikt als uitgangspunt bij de kwaliteitsverbetering en organisatie van de oncologische zorg.

Gerelateerd

Studie naar borstkankerbehandeling voorbeeld van succesvolle samenwerking

Abemaciclib, palbociclib en ribociclib zijn effectieve geneesmiddelen bij vrouwen met uitgezaaide, hormoongevoelige borstkanker. Deze zogeheten CDK4/6-remmers remmen de kankerceldeling en worden toegevoegd aan een hormoontherapie. De vraag in de SONIA-studie: kun je zo’n remmer beter inzetten vanaf de start of pas als de eerste hormoonbehandeling niet meer goed werkt? Voor de manier waarop de studie is opgezet en wordt uitgevoerd, ontving het onderzoeksteam op 31 maart 2022 een ZonMw Parel. De studie wordt ondersteund door het IKNL-trialbureau.

lees verder

Borstkanker in Nederland 1989-2017: hogere incidentie; betere overleving

vrouw met hond in park

Tussen 1989 en 2017 is de incidentie van eerste, primaire borstkanker in Nederland aanzienlijk gestegen, hoewel in recente jaren een veelbelovende daling is te zien. De overleving van patiënten verbeterde aanzienlijk voor de meeste vormen van borstkanker door minder intensieve chirurgie en toegenomen gebruik van systemische therapieën en/of combinaties met andere behandelingen. Overeenkomstig daalde de sterfte substantieel, ongeacht de leeftijd van deze vrouwen. Dat blijkt uit onderzoek van Daniël van der Meer (NKI) en collega’s met data uit de NKR.

lees verder