Grote variatie in verslaglegging chemotherapie in palliatieve fase

01-12-2016
Er bestaat grote variatie in de documentatie van overwegingen van artsen om chemotherapie aan te bieden aan patiënten in de palliatieve of laatste levensfase. Die conclusie trekken Hilde Buiting (IKNL, AVL) en collega’s van IKNL, Antoni van Leeuwenhoek, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis en Reinier de Graaf op basis van een studie waarin de medische dossiers van 147 patiënten met long- en alvleesklierkanker is onderzocht. Volgens de onderzoekers geven medische dossiers inzicht in de besluitvorming rondom systemische behandeling in de palliatieve en laatste levensfase, maar is aanvullend onderzoek nodig om na te gaan op welke wijze deze dossiers kunnen bijdragen aan het evalueren van de kwaliteit van het besluitvormingsproces.

Beslissingen over chemotherapie vormen een belangrijk onderdeel van de zorg voor patiënten met een niet meer te genezen vorm van kanker. Dergelijke besluiten moeten vaak in complexe, klinische situaties worden gemaakt. Om een beter beeld te krijgen van deze problematiek bestudeerden de onderzoekers de medische dossiers van patiënten met gevorderd niet-kleincellige longkanker en alvleesklierkanker, waarbij specifiek gekeken is naar notities van artsen over beslissingen rondom het aanbieden van palliatieve, systemische behandeling.

Medische dossiers
Voor dit onderzoek werden de medisch dossiers onderzocht van 147 kankerpatiënten die tussen 2009 en 2012 wel (63 patiënten) en geen (84 patiënten) palliatieve, systemische behandeling kregen. Bij de 276 aantekeningen die de onderzoekers aantroffen in deze 147 dossiers werd specifiek ingegaan op palliatieve, systemische behandeling. De selectie van patiënten vond plaats aan de hand van gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR).

Ruim 75% van alle aantekeningen gingen over overwegingen van specialisten om te beginnen met palliatieve chemotherapie of het voortzetten van deze behandeling, met inbegrip van het geven van informatie over de prognose (47%), mogelijke overlevingswinst (22%), verzoeken van patiënten voor het krijgen van palliatieve chemotherapie (33%), het effect van een eventuele behandeling op de kwaliteit van leven (8%) en de leeftijd van de patiënt (3%). Gesprekken met patiënt en/of familie over palliatieve chemotherapie werd gemeld bij 49% van alle notities.

Voor andere aspecten die werden gedocumenteerd in de dossiers gold dat de aanwezigheid van comorbiditeit (82%), rookstatus (78%) en drinkgedrag (63%) vaker werden gerapporteerd dan de fysieke gesteldheid ofwel performance status van de patiënt (16%). Reactiemetingen (‘respons’) op de behandeling en aanpassingen van de dosis chemotherapie was in respectievelijk 75% en 71% van de dossiers van patiënten die een palliatieve, systemische behandeling gerapporteerd.

Grote variatie in verslaglegging overwegingen
Hilde Buiting en collega’s concluderen dat medische dossiers inzicht geven in de besluitvorming rond palliatieve, systemische behandeling. De inhoud en de gedetailleerdheid van de notities van artsen vertoont echter een grote variatie, met name met betrekking tot de overwegingen van artsen rond het aanbieden van palliatieve, systemische behandeling. Met dit gegeven dient rekening gehouden te worden bij registraties gericht op het vastleggen en meten van de kwaliteit van zorg in de palliatieve en laatste levensfase. In toekomstig onderzoek zou nader onderzocht moeten worden op welke wijze medische dossiers het beste kunnen bijdragen aan evaluatie van de kwaliteit van het besluitvormingsproces van patiënten.

  • Buiting HM, Brink M, Wijnhoven MN, Lokker ME, van der Geest LG, Terpstra WE, Sonke GS: ‘Doctors' reports about palliative systemic treatment: A medical record study.’
  • Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl

volg ons: