Gebruik chemotherapie bij gen-expressieprofiel borstkanker vrijwel gelijk

30-05-2016
Hoewel de richtlijnen zijn aangepast, is het aandeel patiënten met een vroeg stadium van borstkanker (ER+ / HER2) dat chemotherapie krijgt voorgeschreven op basis van een gen-expressieprofiel vrijwel gelijk gebleven in de periode 2012-2014 ten opzichte van 2004-2006. Dat blijkt uit onderzoek van Anne Kuijer (Diakonessenhuis Utrecht) en collega’s. Sinds verbreding van de indicaties worden echter 13% méér patiënten geschikt geacht om in aanmerking te komen voor chemotherapie. Het consistente aandeel chemotherapie duidt erop dat aanpassingen van richtlijnen in de praktijk niet automatisch worden gevolgd. In de discussie gaan de onderzoekers in op mogelijke oorzaken.

Tien jaar geleden zijn gen-expressieprofielen ingevoerd om zorgprofessionals te helpen bij de besluitvorming rond het aanbieden van adjuvante chemotherapie aan vrouwen met borstkanker. Sindsdien zijn de landelijke richtlijnen geleidelijk aan uitgebreid met meer indicaties voor adjuvante chemotherapie. In deze landelijke studie worden veranderingen in het aandeel adjuvante chemotherapie over de tijd geëvalueerd bij patiënten met oestrogeen-receptor positieve tumoren (ER+) in relatie tot het gebruik van gen-expressieprofielen bij patiëntengroepen die pas recent in aanmerking komen voor chemotherapie volgens de nationale richtlijn.

Vroeg stadium van borstkanker
De onderzoekers verzamelden in de databank van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) gegevens van alle chirurgisch behandelde patiënten met een vroeg stadium van borstkanker die tussen 2004-2006 en 2012-2014 werden gediagnosticeerd. Vervolgens werden alle ER+ / HER2-patiënten geïdentificeerd met vergelijkbare tumoreigenschappen die in beide cohorten in aanmerking kwamen voor een gen-expressietest, doch die in de tijd een andere aanbeveling voor chemotherapie kregen op basis van de toen geldende richtlijn. In casu: ‘geen aanbeveling voor chemotherapie’ volgens de richtlijn uit 2004 en ‘wel een aanbeveling voor chemotherapie’ volgens de richtlijn uit 2012.

In totaal kwamen 3.864 van de geïdentificeerde patiënten in aanmerking voor het maken van een gen-expressieprofiel in beide onderzoeksperiodes. In het tijdvak 2004-2006 kreeg 5% van de patiënten een test voor bepalen van het gen-expressieprofiel tegenover 35% in de periode 2012-2014. In beide perioden kregen de meeste patiënten (67% respectievelijk 69%) als uitslag een ‘laag genomisch risicoprofiel’. De adherentie aan de testresultaten van het gen-expressieprofiel was in beide periodes hoog (86% respectievelijk 91%). Van de patiënten bij wie geen gen-expressieprofiel werd bepaald, kreeg 8% (2004-2006) respectievelijk 52% (2012-2014) géén chemotherapie aangeboden, terwijl bij patiënten bij wie wél een gen-expressieprofiel werd vastgesteld tussen 2004 en 2006 21% respectievelijk tussen 2012 en 2014 28% chemotherapie ontvingen.

Conclusies
Anne Kuijer en collega’s concluderen dat het gebruik van het gen-expressieprofiel bij patiënten met een vroeg stadium van borstkanker ER+ / HER2 in beide onderzoeksperiodes samenhing met een consistent aandeel patiënten die chemotherapie kregen, ondanks het feit dat de richtlijn op dit punt in de latere periode is aangepast met de aanbeveling om chemotherapie te verstrekken. Aanpassing van de landelijke richtlijnen heeft ertoe geleid dat het voorschrijven van chemotherapie is verbreed en dat, volgens de huidige studie, 13% meer patiënten geschikt worden geacht om chemotherapie te krijgen.

Discussie
In de discussie reflecteren de onderzoekers op bovenstaande bevindingen. Het toegenomen aandeel chemotherapie op basis van de aangepaste indicaties (aanpassing richtlijn) in de loop van de tijd is niet opmerkelijk. Echter, de afwezigheid van een toegenomen trend bij patiënten bij wie een gen-expressieprofiel werd bepaald is dat zeker wel. In deze laatste groep patiënten werd namelijk in de tijd geen significant verschil waargenomen in het voorschrijven van chemotherapie. Sterker nog, in de praktijk bleek het bepalen van het gen-expressieprofiel samen te hangen met een hogere kans op het krijgen van chemotherapie in cohort I (2004-2006) en een verlaagde verstrekking van chemotherapie in cohort II (2012-2014).

Deze waarneming maakt volgens de onderzoekers duidelijk dat het aanpassen van de richtlijn met verbreding van de indicaties voor adjuvante chemotherapie in de klinische praktijk niet automatisch wordt gevolgd. Ruim de helft (52%) van de patiënten die in de periode 2012-2014 in aanmerking kwamen voor chemotherapie, kregen deze behandeling zonder bepaling van het gen-expressieprofiel. Dit weerspiegelt de geringe bereidheid van Nederlandse artsen om chemotherapie volgens de richtlijnen toe te passen bij deze patiënten.

Onderzoek naleving richtlijnen
Het kan zijn dat clinici zich bij deze keuze gesteund voelen door het feit dat de meerderheid van de patiënten bij wie een gen-expressieprofiel werd toegepast tot de groep met een laag genetisch risicoprofiel behoorden. Deze bevinding suggereert dat Nederlandse artsen de neiging hebben om gen-expressieprofielen te gebruiken bij patiënten met een laag risico om vervolgens een met redenen omklede beslissing te nemen om chemotherapie achterwege te laten. Aanvullend onderzoek is volgens de onderzoekers nodig om de onderliggende redenen te identificeren met betrekking tot de naleving van richtlijnen en de soms tegenstrijdige toediening van adjuvante, systemische therapie. 

  • Kuijer A, Drukker CA, Elias SG, Smorenburg CH, Rutgers EJ, Siesling S, van Dalen T. ‘Changes over time in the impact of gene-expression profiles on the administration of adjuvant chemotherapy in estrogen receptor positive early stage breast cancer patients - a nationwide study.’
  • Meer informatie over deze publicatie is verkrijgbaar via bibliotheek@iknl.nl  

volg ons: