Invloed spiermassa op palliatieve chemotherapie bij slokdarm- of maagkanker

14-02-2019

Palliatieve chemotherapie bij patiënten met gevorderde of uitgezaaide slokdarm- of maagkanker kan bijdragen aan een betere algehele overleving en kwaliteit van leven. Bij verschillende kankersoorten hangt ernstige afname van spiermassa en spierkracht echter samen met verminderde overleving en verhoogde chemotherapiegerelateerde toxiciteit. Uit onderzoek van Willemieke Dijksterhuis (IKNL) en collega’s blijkt dat bij patiënten met gevorderde slokdarm- of maagkanker die behandeld zijn met CapOx geen samenhang is tussen spiermassa en overleving, maar wel met behandelgerelateerde toxiciteit. De onderzoekers pleiten voor aanvullend onderzoek om de afname van spiermassa en -dichtheid bij deze patiënten te verhogen of te voorkomen.

Het doel van deze studie was de impact van de lichaamssamenstelling te bepalen op de overleving en chemotherapiegerelateerde toxiciteit bij patiënten met slokdarmkanker of maagkanker die een eerstelijns behandeling kregen met palliatieve chemotherapie.

Studieopzet

In de studie werden in totaal 88 patiënten opgenomen met gevorderde slokdarm- of maagkanker die tussen januari 2010 en februari 2017 standaard een eerstelijns palliatieve, systemische therapie kregen met capecitabine en oxaliplatin (CapOx). Van alle patiënten werd de skeletspierindex (SMI, die de spiermassa weerspiegelt) en de skeletspierdichtheid (SMD, samenhangend met spierkracht en -kwaliteit) gemeten voorafgaand aan de behandeling en bij 65 patiënten na drie behandelcycli opnieuw geëvalueerd met behulp van CT-scans.

Deze gegevens werden vergeleken om te bepalen in welke mate sprake was van ernstige afname van spiermassa (sarcopenie) en sarcopene obesitas (sarcopenie en een BMI >25 kg/m2). De samenhang tussen lichaamssamenstelling (SMI, SMD, sarcopenie en sarcopene obesitas) en overleving en toxiciteit werden beoordeeld met respectievelijk univariabele en multivariabele Cox- en logistische regressieanalyses.

Resultaten

Van de 88 geïncludeerde patiënten was 75% man met een mediane leeftijd van 63 jaar (interkwartielafstand 56-69 jaar). De meerderheid van de patiënten had een adenocarcinoom (83%). Vóór aanvang van de behandeling was 49% van de patiënten sarcopenisch en 20% had sarcopene obesitas. Een lage skeletspierdichtheid werd waargenomen bij helft van de patiënten. Gedurende de drie behandelcycli met CapOx nam de skeletspierindex significant af met een mediane afname van 4% (interkwartielafstand -8,6 tot -0,4).

De progressievrije en algehele overleving was mediaan 6,9 respectievelijk 10,1 maanden. De skeletspierindex, skeletspierdichtheid, sarcopenie en sarcopene obesitas (zowel vóór de behandeling als na drie cycli) hingen niet samen met de progressievrije of algehele overleving. Geringe skeletspierdichtheid vóór de behandeling was onafhankelijk geassocieerd met graad 3 tot 4 toxiciteit (risico 0,94) en sarcopene obesitas met graad 2 tot 4 neuropathie (risico 3,82; 95% betrouwbaarheidsinterval 1,20 - 12,18).

Conclusie en aanbevelingen

Willemieke Dijksterhuis en collega’s concluderen dat er geen samenhang is tussen sarcopenie en de algehele overleving of behandelgerelateerde toxiciteit bij patiënten met gevorderde slokdarm- of  maagkanker die eerstelijns zijn behandeld met CapOx. Sarcopene obesitas voorafgaand aan de behandeling hing onafhankelijk samen met het optreden van graad 2 tot 4 neurotoxiciteit, en geringe skeletspierdichtheid met graad 3-4 toxiciteit. Onderzoek gericht op interventies om de afname van spiermassa en -dichtheid te verhogen of te voorkomen en eventuele aanpassing van de dosis chemotherapie aan de spiermassa zou waardevol kunnen zijn bij het voorkomen van chemotherapiegerelateerde toxiciteit bij deze patiënten in de toekomst.

Deze interventies zouden, gelet op het complexe pathologische proces van cachexie en sarcopenie, onder ideale omstandigheden multimodaal moeten zijn en tenminste bestaan uit voedingsondersteuning, lichaamsbeweging en mogelijk ook gecombineerd met farmacologische interventies. Op deze wijze kan mogelijk worden voorkomen dat patiënten met (pre)cachexie uiteindelijk refractaire cachexie ontwikkelen, een stadium van cachexie die geassocieerd is met progressieve kanker die niet (meer) reageert op oncologische behandelingen, een lage prestatiestatus en korte levensverwachting.

volg ons: